home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Geschiedenis van het Affligembier Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Geschiedenis van het Affligembier

auteur: Ben Vermoesen

 

De geschiedenis van het Affligems abdijbier is praktisch zo oud als die van de abdij zelf.  De regel van de heilige Benedictus, die de bekeerde roofridders besloten hadden te volgen, bepaalt dat de monniken zoveel mogelijk binnen het kloosterdomein in al hun levensbehoeften moesten voorzien.  Een ander voorschrift staat de monniken een beperkt gebruik van wijn toe.  Maar in onze streken was bier de gewone tafeldrank zodat we mogen aannemen dat de eerste Affligemse kloosterlingen hun eigen bier brouwden.  Temeer daar ze al tijdens het bestuur van de eerste abt, Fulgentius (1089 – 1121), een tiende deel van al wat zij bezaten aan de armen gaven, ook van hun voedsel en drank.  Dankzij het opzoekingswerk van de monniken dom Cyprianus Coppens en dom Wilfried Verleyen (1, 2 en 3) kunnen wij ons een vrij goed beeld vormen van de Affligemse brouwerijen en van het biergebruik van de kloosterlingen.


De brouwerij


De eerste brouwerij paalde aan het gastenkwartier en de andere werkplaatsen.  Al in 1129 verwoestte een felle brand het hele gebouw.  Dom Radulfus was bij die brand aanwezig.  Zijn medebroeders noemden hem  « de Zwijger » omdat hij sinds meerdere jaren niet meer had gesproken.  Hij leefde immers teruggetrokken in een kluis in het bos.  Toen hij nu zag dat men de brand niet onder controle kreeg – zo verhaalt de legende – bad hij in stilte en sprak dan de woorden : « Vuur blijf staan, vlam doof uit ».  Onmiddellijk hield de brand op !

 

Vervolgens weten we dat abt Karel de Croy (1521 – 1564) een nieuwe brouwerij liet optrekken die bleef bestaan tot de geuzen in 1580 de hele abdij in brand staken.  Het gebouw  werd hersteld in 1608 en nog eens in 1621 omdat het al dreigde in te storten.  Door de uitwasemingen van de kokende brouwketels waren de balken waarop de stenen gewelven rustten, geheel verrot.  Deze brouwerij is goed zichtbaar op de gravure van C. Lauwers (1658), ze staat onderaan links van het vissershuis (4).  Enkele van de 57 biertonnen die de abdij toen bezat, staan ervoor.  In het gebouw zelf waren er 5 brouwketels.  Er stonden ook 2 bedden voor de brouwer en zijn knecht, in die tijd waren dat leken, want zij sliepen in hun werkplaats. De brouwers waren leken.  Enkele namen zijn nog bekend : Franciscus Vermeeren (1570), Judocus Rombouts (na 1570) met Guillam le Baetselier als tweede brouwer, Frans Van der Meulen (1578), A.G. Kimmel (1620) Francis Mertens (1730), Antoon Keulemans (1736), Cornelius Haeck (1746), J.B. De Kegel (1755), C.J. Bodaert (1759) en Petrus Vasseur (1768).  Abt Karel de Croy betaalde in 1536 25 florijn voor de brouwer en 10 florijn voor de helper.  Dat bedrag steeg tot 48 florijn in 1730, tot 60 florijn in 1755, tot 84 florijn in 1759 en tot 94 florijn in 1768.

 

Het bier dat er werd gebrouwen bevatte zeker hop.  Heel de streek rond Affligem had toen een goede reputatie omwille van de uitstekende hopkwaliteit.  Hophandelaars van Engeland tot de Baltische Staten kochten ze op. De abdij zelf had in 1570 zo’n 42 hopkuilen, in 1620 waren dat er 1.500 en in 1654 al 6.500.  In 1761 viel een werkman in de kokende brouwketel en overleed aan zijn verwondingen.  Toen stonden er 2 brouwketels met elk een capaciteit van ongeveer 40 biertonnen.  Jaarlijks brouwde men 22 tot 23 brouwsels, 5 brouwsels meer dan een eeuw voordien.  Voor het bruine bier gebruikte de brouwer 60 vaten (van ca 50 l) gerst en 6 vaten tarwe.Voor het lichte bier, bestemd voor de knechten en de armen, slechts 54 vaten gerst en 6 vaten tarwe.  Voor een brouwsel van het witbier dat de paters in de zomer dronken, waren 30 vaten gerst, 9 vaten tarwe en 9 vaten haver nodig.  De aalmoezenier kreeg jaarlijks 200 tonnen licht bier om aan de kloosterpoort de dorst van de armen te lessen.

 

Met de uitdrijving van de monniken en de verkoop van de abdij in 1796 door de Franse bezetter, was ook het lot van de eeuwenoude brouwerij bezegeld.  Toen bijna een eeuw later, in 1869, de monniken het Bisschoppenhuis, het enige bewoonbare overblijvende gebouw van het oude kloostercomplex konden terugkopen, herbegon het abdijleven in Affligem.  In de Benedictuspoort en aanpalende gebouwen installeerden ze een nieuwe brouwerij met 3 brouwketels, een roerkuip en 95 tonnen voor een totaal bedrag van 5.754,61 fr.  Het brouwen herbegon op 20 mei 1885.  De brouwer, nu een monnik met de hulp van knechten, brouwde maandelijks 28 hectoliters maar hij moest nu mout en hop gaan kopen.  Per brouwsel gebruikte hij 300 tot 350 k gerstemout  en 6 tot 9 k hop met 100 k kristalsuiker.  Een nieuwe bezetter van ons land, ditmaal het Duitse leger, kwam in 1917 de koperen ketels weghalen.  Het duurde tot 1920 voor de brouwerij was uitgerust met 2 nieuwe ketels ( van 35 en 36 hl) en een koelbak.  Mout en hop werden opnieuw gekocht.  Broeder Tobias Vergauwe brouwde de laatste maal op 13 maart 1940 want in mei waren de Duitsers er terug.  De Tweede Wereldoorlog maakte na bijna 9 eeuwen definitief een einde aan het bierbrouwen in Affligem.

 

Drink het patersbier


In de abdij gebeurde het eten en drinken gemeenschappelijk.  Na de maaltijd gaf de prior met een klokje een teken en een priester zegende de drank.  De monniken antwoordden met « amen » en wie wou kon drinken.  ‘s Middags was er wijn, ‘s avonds bier met daarnaast nog de keuze uit mede, melk of water.  Om de stilte, verplicht tijdens de maaltijden, niet te verbreken gaven de monniken met tekens aan welke drank ze verkozen.  Bier duidden ze aan door voor hun mond de gestrekte handpalm naar beneden te bewegen terwijl ze erop bliezen.  Na een nieuw signaal van de prior stond iedereen recht en goot wat er in zijn pot overbleef in de vaten van de aalmoezenier die het restant aan de armen gaf.

 

Ook tijdens de recreatie konden de monniken bier drinken en daar waren ze blijkbaar erg op gesteld.  Toen een zekere Daniël die kandidaat-abt was (in 1518), eens verklaarde terwijl hij  naar een monnik die bier dronk wees, dat hij daar strenger zou tegen optreden, sloeg een medebroeder met zijn bierpot op tafel en voorspelde dat hij nooit abt zou worden.  Daniël was heel populair maar abt is hij nooit geworden.

 

In 1561 constateerde aartsbisschop-abt Jacobus Boonen dat niettegenstaande zijn verbod op sterk bier voor de monniken, de gasten en de knechten, er toch nog enkele vaten sterk bier werden gebrouwen.  Alleen « gewoon » bier mocht nog.  Dat was bruin bier in de winter en wit in de zomer.  Maar in 1770 verzochten de paters hun overste om heel het jaar door wit bier te mogen drinken, wat hen werd toegestaan.  De armen kregen een lichter bier.

 

45 jaar na hun uitdrijving uit de abdij Affligem door de Franse troepen kon de toenmalige proost het abdijleven in een leegstaand klooster in Dendermonde laten hervatten.  Volgens een voorschrift uit 1848 dronken de monniken één pint bier tijdens het middag- en het avondmaal.  Op de wandeldagen kregen ze na thuiskomst een halve pint.  Toen vanuit Dendermonde enkele monniken in 1869 het kloosterleven te Affligem herstelden, bleef deze regeling waarschijnlijk van kracht.  Wanneer de eigen brouwerij weer produceerde, kregen ze '’ middags en '‘ avonds telkens 3/4 liter bier.  Ook tijdens het vieruurtje stond bier op het menu, geen koffie.  Wat er dan nog overbleef, werd aan kenissen verkocht, maar alleen voor eigen gebruik.

 

Vanaf 1940 moesten de monniken het stellen met gewoon tafelbier.  In 1956 sloot de keldermeester dom Robert Demuynck, die de « formula antiqua renovata » niet wou laten verloren gaan, een akkoord met de brouwerij De Hertogh uit Deurne en het abdijbier Affligem was weer beschikbaar.  In 1970 verwierf de brouwerij De Smedt uit Opwijk de licentie voor het brouwen van het bruin, het blond, de tripel en het patersvat. 

 

De Affligem is een bier dat nagist.  Voor het bottelen wordt er een speciale gist samen met de fijnste suiker toegevoegd.  Het gist dan een drietal weken na in aparte opslagplaatsen waar de t° constant wordt gehouden.  Door deze hergisting komen er nieuwe aromastoffen in het bier.  De gist zal de vloeistof verzadigen met koolzuur waardoor er bij het schenken een kroon van schuim ontstaat.  In 1996 kreeg het de titel van beste patersbier ter wereld.  Maar beste patersbier of niet de monniken drinken het alleen op feestdagen.  Gelukkig voor ons geldt die beperking alleen voor hen.

 

Voetnoten

 

  1. COPPENS C., Het bier, Affligem, Maandschrift voor Kultuur, 5 en 6, 1974.
  2. VERLEYEN W., Negen eeuwen Affligem 1083 – 1983, Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis, Vita, Zingem, 1983.

  3. VERLEYEN W., De Abdijgebouwen van Affligem 1083 – 1796, Ascaniabibliotheek, nr. 31, 1973.

  4. In de eerste druk van Affligem in « Chorographia sacra Brabantiae » van Sanderus.  Ook in de uitgave van 1726 (Den Haag) met de gravure van J. Harrewijn is dezelfde brouwerij nog zichtbaar en in het « Caertenboeck » van Meldert (1727) van J. De Deken.

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com