home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Geschiedenis van het bier Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Het Collège St.-Benoît

auteur: Ben Vermoesen


Op 23 september 1877 publiceerde Den Denderbode, een katholiek weekblad uit Aalst , de volgende aankondiging:

 

                            

 

Voorafgaand aan deze aankondiging hadden al enkele maanden in het geheim onderhandelingen plaats tussen de Affligemse monnik Jordanus Ballsieper en Johannes Frans Van Lierde, ex-pastoor van Nordstrand. De bedoeling was om in het huis van de overleden Benedicta Schoon een college voor externe jongens op te richten. Het is niet duidelijk van wie het initiatief daarvoor uitging. Wou Franciscus Van Lierde dat de abdij een school had of trachtte Jordanus Ballsieper het prachtige herenhuis met tuin aan de Brusselbaan te verwerven met dezelfde bedoeling? Alvorens daarop een antwoord op te geven, willen we eerst het hoofdrolspelers in deze geschiedenis kort voorstellen. Daarvoor maak ik dankbaar gebruik van het artikel dat dom Wilfried Verleyen publiceerde in het Jaarboek 2009 van de Heemkundige Kring Belledaal over Jordanus Ballsieper en van het artikel van Jules Dewaele in het Jaarboek 1985 van dezelfde vereniging over het Collège Saint-Benoît en Johannes Franciscus Van Lierde.

Johannes Franciscus Van Lierde, pastoor en hereboer op Nordstrand

Johannes Franciscus Van Lierde, geboren te Hekelgem op 7 november 1808, was het derde kind van molenaar Petrus Jacobus Van Lierde en Carolina Plas. Zijn broer Johannes Egidius werd burgemeester van Hekelgem, zijn zus Johanna Benedicta bleef ongehuwd. Toen zijn vader in 1816 overleed, hertrouwde zijn moeder met haar neef Johannes Hubertus Schoon en in het nieuwe gezin werden nog twee kinderen geboren, Amelie en Johanna Maria Schoon.

 

Johannes Franciscus werd seculier priester, maar sloot zich in 1836 aan bij Oatorianen, een vereniging van seculiere priesters. De overste zond hem in 1836 naar Nordstrand, een eiland onder Denemarken gelegen, om er het domein voor de congregatie te redden en er de zielzorg voor de katholieken waar te nemen. Hij zou er bijna vijftig jaar blijven. Hij werd er al snel een omstreden figuur, niet alleen door zijn moeilijk karakter, maar ook door de dubbele taak waarvoor hij zich geplaatst zag: de belangen van zijn parochianen behartigen en de eigendommen van de Oratorianen laten renderen. Zijn grootste zorg ging uit naar het domein dat hij bijzonder winstgevend maakte. Hij was meer boer dan priester, in die mate zelfs dat hij in 1858 zijn ontslag als pastoor vroeg en als herenboer verder leefde. In 1876 erfde hij de goederen van zijn broer en zus, ongeveer 19 ha grond te Hekelgem waarvan een groot gedeelte ooit bezit was van de abdij. Die erfenis maakte van hem een schatrijk man. Hij overleed op Nordstrand op 13 juni 1884.


Mgr. Jordanus Ballsieper, provisitator en abt-generaal

Toen dom Jordanus Ballsieper zich op 11 november 1876 te Affligem vestigde als provisitator van de Belgische benedictijnenprovincie had hij al een lange weg afgelegd. Geboren in Duitsland trad hij op 17-jarige leeftijd in bij de Broeders-Xaverianen te Brugge in 1852, ging er een jaar later weg en werd mijnwerker. Na een ongeval in de mijn trok hij naar de abdij te Subiaco. Hij ontving er de priesterwijding op 13 oktober 1864 en promoveerde een jaar later tot doctor in de theologie. Gedurende een jaar doceerde hij filosofie te Subiaco, verzorgde dan gewonde zouaven. Van 1868 tot 1876 was hij repetitor in Sant Ambrogio te Rome  en bracht in augustus van dat jaar een bezoek aan Affligem en op 10 november nam hij er  zijn intrek daar hij op 8 oktober al was benoemd tot provisitator van de abdijen Affligem en Dendermonde.

                          

Een nieuwe periode in zijn leven brak aan toen hij op 28 maart 1878 tot missiebisschop werd benoemd en naar Oost-bengalen (Bangladesh) vertrok. Hij bleef missionaris tot 1885, verbleef dan twee jaar te Rome, en werd vanaf 1887 professor theologie. Op 1 mei 1888 werd hij tot abt-generaal gekozen van de Cassinese Congregatie van de Oorspronkelijke Observantie, een congregatie binnen de grote benedictijnse familie. Hij overleed op 1 maart 1890.


Moeilijke onderhandelingen

In 1877 reisde Ballsieper tweemaal naar Nordtstrand voor een delicate opdracht: aan Franciscus Van Lierde de grond vragen waarop de monniken hun nieuwe kerk wilden bouwen. De rijke herenboer had echter al in januari aan zijn rentmeester, Martin Tistaert van Asse, laten weten dat hij geen contact meer wou met zijn schoonzussen en met de monniken. Hij had immers van een belangrijk persoon uit Hekelgem brieven ontvangen met allerlei beschuldigingen aan het adres van de monniken. Ballsieper deed een beroep op Mgr. Aerts om die aantijgingen te weerleggen wat Van Lierde van mening deed veranderen. Hij maakte Ballsieper bij testament van 6 april 1877 tot zijn universele erfgenaam van al zijn goederen in België. Een gedeelte ervan diende hij wel aan goede werken te besteden. In die erfenis was het nieuwe kasteeltje van de overleden zus, Johanna Benedicta, inbegrepen. Zij had in 1872 aan de Brusselse Steenweg in Hekelgem een prachtig herenhuis laten bouwen, het kasteel of het palazzo genoemd. Na haar dood op 20 september 1876 werd Franciscus de eigenaar. Hij was ook de oprichting van een college, waarvoor het herenhuis met de grote tuin uiterst geschikt was, genegen zoals blijkt uit een brief van Ballsieper aan Van Lierde:
Louis overhandigde mij twaalfhonderd Mark in goud, en zegde dat UE ons niet alleen de zetels die zich in het kasteel bevinden, wilt geven, maar ook zelf het kasteel aanbiedt, indien het ons voor een College of pensionaat kon dienen.

 

Een college op de Boekhoutberg

Vanzelfsprekend was dom Jordanus opgetogen met het aanbod. In dezelfde brief schrijft hij dat hij het kasteel heeft bezocht en het gepast heeft gevonden voor een college. De tuin, het omliggende land en een bosje achter het huis zorgen voor frisse lucht en ruimte voor de jonge mensen. Hoewel hij nu in het bezit was van het testament, toch bleef hij wantrouwig tegenover zijn erflater. Hij vond hem een zonderling die nog van mening kon veranderen, zeker omdat zijn rentmeester Tistaert, de gemeentesecretaris van Hekelgem, de abdij niet gunstig gezind was. Daarom drong hij er bij Van Lierde op aan de overdracht door een koopakte te officialiseren. Maar daar ging de ex-pastoor niet op in.

 

Op 14 juli 1877 moest de rentmeester in opdracht van Van Lierde de sleutels van het huis aan dom Jordanus overhandigen die het op 20 juli in bezit nam. In de abdij waren de monniken erg tevreden, want al van bij de terugkeer in 1870 hadden ouders bij hen aangedrongen om een college op te richten. In de abdij, die toen bestond uit het Bisschoppenhuis en de Benedictuspoort, was daar geen plaats voor. Op dat ogenblik waren er al 23 monniken. De ligging van het huis, op zo'n 2 km van de abdij, was niet ideaal, maar eindelijk konden de paters met een school beginnen.

 

Het "kasteeltje" op de Boekhoutberg

Nog voor de opening van het college, begin oktober, ontving Jordanus Ballsieper een uitnodiging uit Nordstrand. Van Lierde wilde hem tot zijn rentmeester aanstellen van al zijn goederen in België. Hij vertrouwde Martin Tistaert niet meer. Jammer voor Affligem, zoals later zal blijken, verboden de kerkelijke wetten Ballsieper om dat aanbod te aanvaarden, tot ergernis van Franciscus die weigerde  de zaak via een wettelijke, en dus onbetwistbare, overdracht te regelen. Toch gaf hij 3 200 fr. om de aanpassingen in het huis te bekostigen. Op 17 september gaf kardinaal Dechamps zijn toelating voor het college en zo konden de monniken de oprichting van hun college bekend maken, ook in Den Denderbode.

                        

 

 

Op 7 oktober begonnen de lessen met 17 leerlingen voor een voorbereidend jaar. Op 27 november was het aantal scholieren al gestegen tot 30. Dom Godehard Heigl, de overste van Affligem, was de directeur van de school. Als leraars fungeerden dom Reinerius Hermans, Bernardus Clonen, Gregorius De Groote en Willibrordus Voogden.

 

- Dom Reinerius, afkomstig van Geel, was in Dendermonde ingetreden en kwam op 18 juni 1870 naar het herstelde Affligem. Hij was er eerst socius en keldermeester. Van 1877 tot 1884 was hij leraar en vanaf 1887 bediende hij de zegenkapel.


- Dom Bernardus Clonen, geboren te Meerhout op 11 maart 1853, trad te Affligem in op 18 juni 1870. Hij ontving de prietserwijding op 22 september 1877 en werd leraar tot 1881. Dan zond zijn overste hem naar Dendermonde als docent theologie, exegese en filosofie.


- Gregorius De Groote was afkomstig van Zottegem. Hij legde zijn eerste geloften te Affligem af op 8 september 1872 en ontving de priesterwijding samen met Bernardus Clonen. Alleen tijdens het eerste schooljaar gaf hij les, want hij vertrok op 24 september 1878 met Mgr. Ballsieper als missionaris naar Oost-Bengalen. Na de sluiting van die missie keerde hij in 1889 terug en werd voor 8 jaar missionaris in de USA. Nadien verbleef hij nog in Steenbrugge en te Heide Kalmthout.

 

- De Nederlander Willibrord Voogden legde in 1873 zijn eerste geloften af. Hij was niet alleen leraar in het college, hij gaf ook les aan de novicen. Op 22 februari 1880 ontving hij de priesterwijding. Na de sluiting van het college vertrok hij naar de missie van Mgr. Ballsieper in Oost-Bengalen en later naar die van Oklahoma in de USA waar hij bleef tot zijn dood in 1937.

                        


De eerste lesdag begon met een Mis voor de H. Geest in de kapel van het Bisschoppenhuis. Daarna sprak overste Heigl zijn leerlingen toe:


Welbeminde scholiers! Beminde Kinderen!
Met een plechtige Mis en onder gezang van Kerkelijke gebeden zijt gij in deze school ingeleid worden. En waarom deze religieuze plechtigheden, waarom de Kerkelijke inweidingen, waarom zoovele gebeden? Het is omdat dit onderwijs bovenal op den religie en op den godsdienst bestaat, omdat de opkweekerij der jongheid aen de Kerk toebehoort, omdat alle wijsheid van God komt. Van God komt alle wijsheid.


Daarom moet ook gij dagelijks de wijsheid aan God vragen. Daarom zal ook de school alle dagen met gebed begonnen en met gebed geëindigd worden. Maar gij moogt buiten deze gemeene gebeden nog dagelijks in uwe morgengebed en in het H. Sacrificie den H. Geest aenroepen, want zonder u gebed zult gij geen voortgang in de studies doen want alle wijsheid komt van God den Heer.
De wijsheid, de godsvreesheid en wetenschap komt van God en niet van de menschen, maar God bedient zich der menschen om aen de kinderen de wijsheid, dat is de geleerdheid, mede te deelen, en eenen van de mannen, door welke God den meesten de wetenschap aen de  menschen heeft geleerd is onze heilige Vader Benedictus.


En wij stellen deze school onder de bescherming van den H. Benedictus en wij noemen de school van den H. Benedictus collège Saint Benoît en wij geven u den H. Benedictus tot uwen patroon, tot plaatsvervanger uwer ouders, wij geven hem u tot uwen Vader …
Wat het reglement aangaat zoo zullen u uwe professoren de volgende voorschrijven:
Voor de kleeding is er niets voorgeschreven, maar gij zult niet in blokken of kittelen of ….. naar de school komen.
Alle zondagen moet gij de H. Mis en de sermoenen bijwonen en in de Kerk de geloovigen door eene zedigheid stichten.
Alle maanden moet gij de H. Sacramenten der biecht en communie ontvangen.

 

Van Lierde was blijkbaar tevreden met het college want hij schonk nog eens 1400 mark schonk. Ballsieper bedankte hem schriftelijk:
Deze ondersteuning was ons inderdaad nog zeer noodzakelijk, dewijl wij daarmede eene kapel in het college kunnen oprechten, opdat de studenten er elken morgen de heilige mis zouden kunnen bijwoonen. Het geld dat Uwe Hoogwaarde ons geschonken heeft, zullen wij alzoo, voor zoo ver het toereikend is, tot dit einde gebruiken.
De kapel werd ingewijd op 7 maart 1878.

 

Het tweede schooljaar, dat op 8 oktober 1878 begon, kwam er een klas bij. Na het voorbereidend jaar konden de leerlingen nu het eerste jaar van de Grieks-Latijnse humaniora volgen. Een verdere uitbreiding van het college is er niet gekomen. De leerlingen kwamen uit Hekelgem en praktisch alle buurgemeenten. Meerdere studenten volgden de lessen,  niet met de bedoeling om het volledige middelbaar onderwijs te doorlopen, maar wel om na de lagere school, wat extra opvoeding en ontwikkeling te krijgen. Vooral het Frans goed leren beheersen, was belangrijk. Dat blijkt vooral uit het feit dat na Pasen meerdere leerlingen de school verlieten om op de boerderij te helpen. Overste Heigl schreef daarover aan Franciscus Van Lierde:
Het collegie heeft op het einde des schooljaars twintig leerlingen geteld, omdat er met Paeschen vele thuisgebleven zijn om hunne ouders in 't werk bij te staen en wij hopen in het beginnende schooljaar een grooter getal te hebben.


De leerlingen konden in de abdijkerk hun eerste communie doen en werden er ook gevormd. Om die toestemming te krijgen, ging er heel wat briefwisseling met het aartsbisdom aan vooraf.

 

Het palmares

Het schooljaar werd besloten met een prijsuitdeling zoals toen in de meeste scholen gebruikelijk was. De studenten speelden toneel en zongen liedjes, in 't Frans en in 't Nederlands. G. Heigl vermeldde in zijn brief van 11 oktober 1878 aan de weldoener van het college dat het einde van het schooljaar met een plechtige prijsuitdeling werd gevierd. Dat was op dinsdag 13 augustus om 15 u. De leerlingen traden op voor de pastoors van Hekelgem, Essene en Asse-ter-Heide en de onderpastoor van Teralfene die zijn zieke pastoor verving. De burgemeester van Hekelgem was ook aanwezig.

 

                          

 

Bij die gelegenheid liet overste Heigl een palmares drukken waarop telkens werd vermeld dat het college was fondé par le R.M. Van Lierde, curé émérite à Nordstrand. Twee palmaressen zijn bewaard gebleven, namelijk die van het schooljaar 1880 – 1881 en die van 1881 – 1882. Op de prijsuitreiking van 11 augustus 1881 voerden de leerlingen de volgende nummers op:
La marche des gymnastes, choeur
Drame Français met als personages J. Baert, Fr. Van Vaerenbergh en F. Hendrickx
Pièces Flamandes met A. Robijns, A. Verleysen en A. Van Langenhove.
Dat palmares vermeldt zowel de verschillende vakken als de namen van de leerlingen die een prijs behaalden.
 De vakken van het voorbereidend jaar aren doctrine chrétienne, langue Française, langue Flamande, aritmétique, histoire sainte, histoire de Belgique, géographie en calligraphie.
 In het eerste jaar humaniora kregen de leerlingen doctrine chrétienne, langue Latine, langue Grecque, langue Française, langue Flamande, aritmétique, histoire ecclésiastique, histoire universelle en géographie.  
In het voorbereidend jaar behaalden de volgende leerlingen een prijs:
Cl. Bosteels, Hekelgem
Robijns, Hekelgem
A.Van Langenhove, Baardegem
A. Verleysen, Hekelgem
B. De Witte, Meldert
Al. De Smedt, Meldert
P. Roggeman, Asse-ter-Heide
J. Van Biesen, Moorsel.
Van het eerste jaar Latijn:
J. Baert, Meldert
Fr. Van Vaerenbergh, Erembodegem
F. Hendrickx, Meldert

Voor het schooljaar 1881 – 1882 vermeldt hetpalmares de opvoering van :
Le Bonnet d' âne, chansonette
La Charité
La Vache, choeur
Le Renard, le Loup et le Cheval.
- De volgende leerlingen volgden het voorbereidend jaar (cours inférieurs): 

Cyrille Boterbergh, Erembodegem
Alphonse Van den Abeele, Hekelgem
Joseph Van Vaerenbergh, Essene
François Lannoy, Essene
Jean Van Biesen, Moorsel
Camille De Meersman, Aalst
Alphonse Beeckman, Moorsel
Joseph Hermans, Brussel
Gustave De Coninck, Meldert
Leon De Meersman, Aalst.
-In het eerste jaar Latijn (cours supérieurs):
Clément Bosteels, Hekelgem
Alphonse Robijns, Hekelgem
M. Van Langenhove, Baardegem
X. De Pauw, Hekelgem
Alfred Tistaert, Hekelgem
Adolph Wauters, Meldert
Fr. Coppens, Hekelgem
Alphonse Vermoesen, Hekelgem
Pierre Matthijs, Hekelgem
Prosper Baert, Meldert

In het abdijarchief worden nog twee toespraken bewaard, uitgesproken door een leerling, maar, gezien de complexe zinsstructuur, duidelijk opgesteld door een monnik. De eerste rede werd  gehouden naar aanleiding van het zilveren professiefeest van overste Heigl op 27 febrari 1879. De hoogdravende tekst is in het Frans opgesteld:


Tres Révérend Père Supérieur,
Nous avons trop d' obligations à votre Révérende paternité pour ne pas joindre nos félicitations les plus ardente, aux congratulations affectueuses, de la communauté religieuse, don't Dieu vous a installé le Père, drapeau de tendresse filiale….
Dieu vous a choisi pour le serviteur fidèle de sa maison pour avoir un jour l' occasion de vous couronné pour vos services rendus à Celui qui a promis de vous render beaucoup de jours heureux et vous accordera à vous et à tous ceux qui vous aiment, le Bonheur de célébrer un jour avec joie le cinqantième anniversaire de votre profession religieuse.
Les élèves de sixieme: Aloïs Moyson, Adolphe Wambacq, Ferdinand De Bolle, François Van den Meersch, Zacharie Huyghe, Alphonse De Bisschop, Joseph Baeten.

 

De tweede toespraak werd gehouden naar aanleiding van het zilveren jubileum van de priesterwijding van Godehard Heigl op 22 maart 1882. Deze tekst is in het Nederlands:


Zeer Eerwaarde Heer Overste,
Deelnemende in de vreugde die op dit plechtig oogenblik, het hert uwer Eerbiedwaardigheid en dat uwer waarde zonen in Jezus Christus vervult, verstout ik mij, U zeer eerwaarde Heer, in den naam van alle mijner medeleerlingen met eene ware kinderlijke openhertigheid, liefde en dankbaarheid, geluk te wenschen.
Mocht de Heer het vurig gebed, het welk daar zoo even nog onder het H. Sacrificie der Mis, uit onze borsten eenpariglijk ten hemel steeg, verhooren …
Hopende zeer eerwaarde Heer, dat onze nederige wenschen U zo aangenaam zullen zijn, bidden wij U de zelve tot hunker en onze herten tot geschenk te aanvaarden.
Uwe onwaarde kinderen in Jezus Christus.
De Bolle Alphonse, De Pauw H., Klaes E., Evenepoel A., Mulders M., Bosteels Cl., Robijns A., De Coster Ch., Van de Putte R., Van Wijnendael A., verleysen A.

 

Het einde van een droom

Na de dood van Franciscus Van Lierde op 13 juni 1884 vocht zijn familie het testament aan waarin hij aan Jordanus Ballsieper, op dat ogenblik missiebisschop in Oost-Bengalen, al zijn goederen in België had geschonken. Superoir Heigl als gevolmachtigde voor Mgr. Ballsieper, wou het niet tot een proces laten komen en sloot met de familie op 21 juni 1884 een overeenkomst. Die hield onder meer in dat het kasteeltje aan de familie toekwam. Dat betekende het einde van het"collegie".

 

Mgr. Ballsieper was ontgoocheld over deze afloop en vond dat de superior te gemakkelijk aan de familie had toegegeven. Maar we kunnen ons toch de vraag stellen of het college werkelijk een toekomst had. Het bleef beperkt tot twee leerjaren, een voorbereidend jaar en het eerste jaar van de klassieke humaniora. Voor een aantal leerlingen was dat in die tijd voldoende als verdere opleiding na de lagere school. Tot na de Tweede Wereldoorlog vonden studenten die drie jaar humaniora volgden nog gemakkelijk werk als bediende. Maar daarvoor was een richting met bijvoorbeeld enkele handelsvakken beter geschikt dan de Grieks-Latijnse.




Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com