home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Cider maken Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Cider maken in Affligem

door Ben Vermoesen

Inleiding

In 1869 hervatten enkele monniken het kloosterleven in het Bisschoppenhuis van de voormalige abdij Affligem. Dat gebouw was sedert de verkoop door de Fransen in 1796 in particuliere handen. De kloostergemeenschap groeide snel. Soms waren er, zoals in 1892 en in 1918 tot zeven postulanten per jaar. Ook het abdijdomein nam toe: van ongeveer 85 a in 1869 tot meer dan 5 ha in 1885.

 

Een nieuwe kloostervleugel met abdijkerk werd gebouwd, een brouwerij opgestart in de Benedictuspoort, een boomgaard aangeplant en de melkerij Pax met kaasmakerij opgericht. Ten slotte startte de toenmalige keldermeester rond 1900 met de aanmaak van een nieuw abdijproduct: de cider. Om te vernemen hoe de monniken ertoe kwamen met de cidermakerij te beginnen, moeten we het verhaal van de Felis vertellen.

 

Zelf cider maken

In het begin van de 20ste eeuw maakten de meeste boeren in de streek rond de abdij affligem hun eigen cider. Ze gebruikten de appelen en krieken van hun eigen boomgaard of de rabarber uit hun eigen tuin. Zo maakten bijvoorbeeld hun eigen cider: Camiel van Braves (= Camiel De Cort, hoek Steenweg-Boekhoutstraat) , Noë van Sofiekes (Benoit Verbeken, Boekhoutstraat), de broers Theofiel (= de Fluit), Jan (= de Pijp) en Eugeen Clocheret (= den Boi) uit de Langestraat, de Schatter (= Jan Van den Bergh) ook uit de Langestraat en vooral Camiel en Alfons Van den Bossche uit de abdijstraat. Piëken Moens (= Petrus) uit de Aalsterse Dreef behoorde ook tot het rijtje cidermakers.

 

Ze persten fruit, lieten het sap zuiveren in vaten of dames jeannes (= grote glazen kolven) of, als de opbrengst klein was, in kleinere kolven, de marie-jeannekes. Als de cider uitgeperst was, werden de flessen gevuld. Daarvoor moest er eerst geproefd worden. De boer, fier als hij was op zijn werk, kon dat niet in zijn eentje. Gewoonlijk nodigde hij familie en vrienden uit om te komen proeven. Die activiteit kon wel eens tot ’s avonds uitlopen. Was de cider nog te rins dan voegde hij er nog wat suiker bij tot de smaak perfect was. En ondertussen steeg de vrolijkheid tot uitbundigheid.

 

Bakker Theofiel Clocheret, op zijn tenen getrapt omdat de vader van dr. Camu zich nogal smalend had uitgelaten over het hele cidergedoe, nodigde die onverlaat uit om zijn cider te komen beoordelen. Meneer Camu moest erkennen dat de drank nogal meeviel maar al die straffe verhalen over dronken zijn en de weg naar huis niet meer weten, daar moest hij mee lachen. Hij voelde niks, cider, dat loopt gewoon zacht binnen En dat was allemaal waar zolang vader Camnu rustig aan tafel zat. Maar toen hij de poort uitkwam begon alles te draaien en te schommelen. Gelukkig staan er in de Langestraat veel huizen zodat hij zoals in een oud liedje. “immer langs den wand” naar huis kon, Bleek echter dat het gistingsproces van het vruchtensap was mislukt, dan hield de boer de kiezen op elkaar en goot het sap weg. Volgende keer beter.

 

Niet iedereen verstond de kunst goede cider te maken. Wie het zelf niet kon of er geen tijd voor had, deed een beroep op een “specialist’. In de streek waren er minstens twee. De Schatter ( Jan Van den Bergh) en Felis (= Alfons Van den, Bossche) werden algemeen geroemd om de kwaliteit van hun cider. Als men hen ter hulp riep, kwamen ze eerst het fruit persen, controleerden het zuiveren van het sap tot het in de flessen kon. Van de twee professionals was de Felis wel het meeste met cider bezig. Geboren te Meldert woonde hij na zijn huwelijk met Delphine Pauwels (Bleregem) in de Abdijstraat nr. 2. Met wat geluk had hij daar een perceel grond kunnen kopen. Hij zat bij de kapper toen hij hoorde dat die grond daar te koop kwam. De Felis stond direct op, “ik kom nog wel terug”, zei hij en hij was met zijn aankoop de monniken nipt voor. Die kochten toen alles rond de abdij op. Zijn bijnaam had hij te danken aan zijn vriendschap met een Nievelse herder. Die had twee honden: de Marie en de Felis. Daar de mensen hen zo vaak samen zagen, de twee mannen en de twee honden, gebruikten ze op de duur ook de hondennamen voor de mannen: de Marie voor de herder en de Felis voor Alfons.

 

Delphine zorgde Voor haar winkeltje (laken. garen, knopen … ) en voor het café. De mensen kwamen er een cider drinken en namen al eens een paar flessen mee. De Felis had een ruime kelder laten bouwen onder de schuur achter de tuin. Daar maakte hij zijn beroemde cider van appelen en krieken, gebotteld en afgesloten met een gewone kurk, van rabarber met een draadnet rond de kurk. Voor die rabarbercider had hij een aantal vaste klanten, nl. cafébazen met een beruchte reputatie. Want die verkochten de cider in de late uurtjes als champagne. Rabarbercider had een hoge druk, die soms zo hevig was dat de flessen sprongen. In dat geval moesten de resterende flessen rechtop gezet worden. De Felis werkte dan altijd met een plank voor zijn benen, uit veiligheidsoverwegingen. Tijdens het gistingsproces ging hij regelmatig proeven om het alcoholgehalte niet te hoog te laten oplopen. Hij kon dan tijdig ingrijpen om geen last te hebben met de ‘commiezen’ zoals hij zei.

 

De cidermakerij was voor de Felis maar werk voor de vrije uren. Voor het dagelijks brood werkte hij bij de paters, het meest in de brouwerij en de çidermakerij, soms op de boerderij als voerman. Het is waarschijnlijk door hem dat de momiken rond 1900 besloten om ook cider te maken. Ze hadden immers een vakman in huis. Op een dag was de Felis in de brouwerij aan de slag toen hij bij vergissing een verkeerde kraan opendraaide. De inhoud van de hele brouwkuip vloeide weg. Samen met een brouwersgast trok hij aarzelend naar abt Benedictus Van Schepdael om het voorval te melden. Als jullie zwijgen zal ik ook zwijgen”, zei de abt en de zaak was opgelost. Zijn zoon Frans (Hekelgem 30/111911 en +Aalst 23/8/1977) zette zijn werk thuis en in de abdij verder. In zijn kelder maakte hij cider voor de verkoop of voor anderen. Dat bracht mee dat hij voortdurend de kelder in moest om de gisting te controleren. Dan pikte hij graag een glaasje mee, zeker als het uit het vat van zijn schoonbroer Jan Nuelant kwam, die merkte dat later toch niet want Frans goot er dan telkens wat water bij. In de abdij was hij een graag geziene medewerker door zijn rustig karakter.

 

Een andere lokale beroemdheid was Camiel Van den Bossche, beter gekend  als Camiel van ’t klooster. Camiel (°Meldert 23-11-1879 en +Hekelgem 22-12-1968) was getrouwd met Jeanne De Troyer en woonde rechtover de abdij. De kerkgangers – en toen waren er nog veel – konden zo na de hoogmis of vespers vanuit de kerk het café binnen. Ik ken er zelfs enkele die bij ’t binnenkomen van de kerk, zonder goed te kijken, vrolijk constateerden dat er geen plaats meer was en dan maar bij Camiel de mis gingen volgen. Als je daar binnenkwam, had je rechts een kruidenierswinkel en links het café. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kwamen de mensen uit de wijde omgeving er op zondag hun cider drinken en – omdat hij zo goed was – namen ze nog een kleine voorraad mee. Eigenlijk was het zijn zoon Jozef (°Hekelgem 26-10-1911 en +hekelgem 25-03-1989) die de meeste cider maakte en volgens de echte kenners was dat de beste uit de hele streek.

 

Voor veel Aalstenaars was een wandeling naar of rond de abdij en een bezoek aan het café van Camiel hun zondagse uitstap. Ze hielden van de drukke gezelligheid van de landelijke herberg. De mensen uit de buurt trakteerden familie en vrienden op bezoek graag met een cider na een wandeling langs de hopvelden. “’t Is een engeltje dat op uw tong pist” zeiden ze dan wel eens Felix Timmermans napratend. Dat was geen kwestie van wat cultureel voor de dag te komen, zo dicht bij de abdij. Neen, de Affigemnaren wisten wel wat er zou komen als sommigen hun raad om met cider wat voorzichtig te zijn in de wind sloegen. Als er dan bij waren die op de terugweg bleek wegtrokken dan konden ze vergoelijken dat, het deze keer duiveltjes waren geweest. Gelukkig kon men toen nog langs allerlei veldwegen naar huis en na een tijdje stappen voelde men zich toch al beter. Nu het wandelen en fietsen weer in is zou het café van Camiel van ‘t klooster er nog moeten zijn: een rustige babbel, een prachtige omgeving en een goede cider; wie zou er niet eens stoppen?

 

De cider van de paters

Tot 1931 was er in de cidermakerij van de Benedictuspoort maar een beperkte activiteit. Behalve de Felis hielpen er ook Peken Moons (=Petrus) en Miel van Slapers (= De Donder). Petrus was varkensslachter en had vanaf 1923 een slagerij in de Aalsterse Dreef. Maar tussendoor werkte hij voor de abdij. Hij geraakte eens zwaar gekwetst toen hij een vat op zijn benen kreeg. Op een dag kreeg Petrus bezoek van een paar rijkswachters uit Moorsel. Het ene woord bracht het andere mee en  Petrus trok met de gendarmes de kelder van de abdij in. Wat dan volgde was voorspelbaar. Niks aan de hand zolang ze beneden van de verboden vrucht konden proeven. Maar eens in de Aalsterse Dreef rolden ze meer naar beneden dan dat ze fietsten. Miel was de broer van nonkel Fong (Alfons De Donder), ook gekend als Fong van ‘t kasteel. Eerst ons wijwater zei Miel  ‘s morgens en hij ging naar de kelder een glaasje cider tappen. Dom Remaclus Siaes, de keldermeester besloot in 1931 de cidermakerij zodanig uit te breiden dat er cider kon verkocht worden. Zijn opvolger dom Theodoor Van Hauwermeiren, breidde verder uit. Onder de leiding van dom Eugeen Goossens produceerde men in 1934 voor het eerst in de abdij de kriekenciider van buitengewone kwaliteit. Van overal kwamen de mensen bij de paters aanbellen om hem te kopen. Iedereen sprak over cider, maar eigenlijk was wat de abdij maakte officieel vruchtenwijn omdat het alcoholgehalte van 13° te hoog was voor cider, dat een gehalte van maximaal 6° mag hebben.

 

Tijdens de oorlog waren er de gebruikelijke bevoorradingsproblemen, maar dom Odilo Claus dreef de productie nog op. Na hem zette dom Tarcitius Van Oudenwijck de fabricatie verder. De keldermeester werkte toen met drie helpers: Frans Van den Bossche, Miel De Donder en Albert Mocns. zoon van Petrus Moens, zoals blijkt uit een kasboek van 1948 tot 1954.  

Van dom Theodoor is een met de hand geschreven tekst bewaard gebleven over de manier om fruitwijn te maken : 1) De vruchten uitpersen. 2) Bij een emmer sap voeg een emmer water en een emmer suiker. Smelt de suiker in het sap vermengd met het water. 3) Doe alles op een vat. 4) Gedurende de gisting zorgen dat het vat altijd vol is. Daarom meermaals daags opgieten met suikerwater of met overgebleven sap. 5) In een warme plaats rijpen. 6) Na twee tot drie weken gisting, die geweldig is, volgt een trage gisting die maanden duurt. Het is eens goed na de geweldige gisting, om na twee tot drie weken, het sap af te trekken en de (onleesbaar woord, mogelijk een dialectvorm van ‘droesem’) te verwijderen uit het vat. Het vat spoelen; het sap er weer indoen en per drie emmers vijf bladen vislijm, dit voor het klaren. Doe alles ineens op het vat. 7) Leg het vat weg, met de kraan steeds open, dit voor twee tot drie maanden. 8) Dan nogmaals de droesem? aflaten; weer wat vislijm; na een week vast.

 

 Net zoals de boeren produceerde de abdij drie soorten fruitwijn: krieken (rood etiket), rabarber (blauw etiket) en appelen (geel etiket). Hij werd over een groot deel van Vlaanderen verkocht: van Antwerpen tot Moeskroen en van Deinze tot Mechelen. Bij een bestelling van minstens twaalf grote flessen of een bak met 24 kleine flessen werd hij thuis bezorgd. De verkoop bracht volgens het kasboek bijna 100.000 frank op . Niettegenstaande de jarenlange ervaring deden er zich nog regelmatig problemen voor zoals een brief uit 1941 bewijst. Daarin vraagt de briefschrijver om “van die witte fruitwijnen weeder te nemen en te vervangen met handeren”. Want: “Na goed gezien te hebben stond ik stom van een flesken die gesprongen was, en veels handeren. die schuimde langste het stopsel”. De briefschrijver rekent er stellig op “voldoenink’ te krijgen.

 

De grote vernieuwing in de productie kwam er in 1962 toen dom Stefaan Van de Putte, toen de imker, de cidermakerij in handen kreeg. Hij pakte de zaak op een wetenschappelijke wijze aan. Eerst bestudeerde hij Franse en Duitse werken over wijnbereiding. Vooral uit de Duitse vakliteratuur haalde hij veel bruikbare informatie omdat de Duitse wijnbereiders meer experimenteerden omdat hun druiven niet altijd van topkwaliteit waren. Vervolgens breidde hij het aanbod uit door rode bessen te gebruiken. Maar later beperkte hij zich tot twee soorten: krieken en appelen. Als de oogst van de eigen boomgaard onvoldoende was kocht hij het ontbrekende deel op de veiling in Brussel. Tenslotte paste hij een nieuw procédé toe. Tijdens een verblijf in de abdij van Disentis (Zwitserland) leerde hij de bereiding van kirsch kennen. Die methode gebruikte hij voor zijn ciderbereiding. De krieken werden nu eerst gekwetst tussen twee molenstenen, de pitten mochten niet gebroken worden want die gaven een bittere smaak. Hij voegde er dan enzymen en diostatische elementen aan toe en liet ze uitlogen. Dat werk gebeurde in de Benedictuspoort. Daar werden ook de appelen geperst, zo n 500 kilo of meer. Met emmers werd het sap dan naar de kelders overgebracht. Was er een grote hoeveelheid dan gebruikten de helpers de grote vaten (ca. 1200 liter) in de kelder onder de vroegere melkerij (nu binnenhof met klokkentorentje). Bij een kleinere hoeveelheid ging het sap in de kleinere vaten (ca. 350liter) in de kelder onder het Bisschoppenhuis.

 

In die koele ruimtes, waar de 6° vrij constant was, verliep het gistingsproces. Dat bracht nog heel wat werk mee: controleren, overtappen, bezinksel wegnemen, zuiveren van de vaten (het solferen) en proeven. Smaakte de cider nog te rins dan werd ook hier nog wat suiker toegevoegd. Na het bottelen, capsuleren en etiketteren was de cider uiteindelijk klaar. Dom Stefaan kon rekenen op de hulp van dom Michael, dom Leo en als laatste dom Bruno. Jozef Moens, zoon van Petrus, was de laatste lekenhelper. Hij stopte ermee toen hij in 1966 de slagerij van zijn vader overnam. De cider bleef nog een jaar in de kelders rusten en dan kon de verkoop beginnen. Dom Stefaan zorgde zelf voor een groot deel van de distributie. Door het Cultureel Centrum, geopend in 1967, met zijn bar en winkel kreeg de Affigemse cider nog meer bekendheid en de verkoop ging in stijgende lijn. Helaas kwam na praktisch een eeuw een einde aan de ciderproductie toen dom Stefaan op 75-jarige leeftijd met pensioen ging in 1996. Daarmee verdween het laatste zelfgemaakte abdijproduct. Een privé- firma heeft de productie overgenomen, maar volgens haar eigen recept. De toestellen in de Benedictuspoort en in de kelders staan er ongebruikt hij.

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com