home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Abij Affligem, een geschiedenis Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Abdij Affligem, een geschiedenis

door Mark Touchant

Inhoudsopgave

1. Ontstaan van de abdij
1.1 De Site
1.2 Abdij van Lobbes
1.3 Allodium Affligem
1.4 Omgeving van Affligem bij de stichting van de abdij
1.5 Ontstaan van de abdij
2. Verdere geschiedenis van de abdij
2.1 De ridderstichters
2.2  Onder Brabant en de Bourgondiërs
2.3 Onder de Spaanse Habsburgers
2.4 Onder de Oostenrijkse Habsburgers
2.5 Onder Frankrijk
3. De invloed van de abdij - Primaria Brabantiae
3.1 Scriptorium
3.2 Stichtingen en patronaatsrechten
3.3 Necropool van Brabant
3.4 Steengroeven
3.5 Domein van de abdij
3.6 Heerlijke grondrechten, renten en rechtspraak
4. Bouwkunst
4.1 De Romaanse abdij
4.2 De Gotische wijzigingen
4.2.1 De ruïne van de oude abdijkerk
4.3 De Barok te Affligem
4.3.1 Abdijhoeve
4.3.2 Bisschoppenhuis
4.3.3 Benedictuspoort
4.4 De onvoltooide Classicistische abdij
4.4.1 Een eerste plan, nooit uitgevoerd
4.4.2 Een tweede plan
4.4.3 De uitvoering van het 2de plan
4.5 De Neogotische abdij
4.6 Droomplannen
4.7 De aanpassingen van architect Alexander Kropholler
5. Bibliografie

Abdij

1. Ontstaan van de abdij

1.1 De Site
De plaats, waar zich nu de Abdij Affligem, bevindt was reeds bewoond in voorhistorische tijden. In de onmiddellijke omgeving werd een stenen bijl uit het Neolithicum gevonden en in de ruïne van de abdijkerk werd een stenen pijlpunt gevonden.

De naam Affligem komt van een Frankische nederzetting: Abulingahaim. De uitgang -ingahaim betekent: “woning van de lieden van”. De uitgang wordt voorafgegaan door een persoonsnaam en betekent dus “Woning van de lieden van Abuno” .
(terug inhoud)

1.2 Abdij van Lobbes
In de 7de – 8ste eeuw wordt een boskapel (op de plaats van de Kluiskapel) opgericht. Eens was op deze plaats waar eens een heidense (Keltische) boom- en broncultus. De geneeskundige bron noemt men nu: Kluizeputje. Volgens het volksgeloof is deze bron niet allen geneeskrachtig voor blinden maar bevordert bovendien de vruchtbaarheid.

Daar heeft waarschijnlijk eens de “Brede Eik” gestaan, die in oude kronieken wordt vermeld. Het is op deze plaats dat een aantal monniken van Lobbes hebben geleefd als kluizenaars.

De hele omgeving van Affligem heeft eens behoord tot het domein van de abdij van Lobbes. In de chaotische 9de en 10de eeuw werd het ingepalmd door de Heren van Aalst en Dendermonde en de Hertog van Lotharingen.

De eerste monniken van de abdij van Affligem hebben dan ook toelating gevraagd aan de abt van Lobbes bij de oprichting van de abdij van Affligem. Toen deze weigerde hebben ze zich gericht tot Hendrik van Verdun, bisschop van Luik. Hij was voogd van de abdij van Lobbes en wat waarschijnlijk belangrijker was: hij was familie van de Verdun. Waarschijnlijk was de bisschop er van overtuigd dat het allodium rond Affligem behoorde tot bezittingen de graven van Verdun en niet van de monniken van Lobbes. De abdij van Lobbes kreeg wel een compensatie voor het afstaan van hun domein.

De huidige Kluiskapel werd opgericht 1758. De voorgevel dateert uit 1840. De kapel was zo bouwvallig geworden dat het schip afgebroken werd. De huidige karakteristieke voorgevel werd toen voor het koor geplaatst.
(terug inhoud)

1.3 Allodium Affligem
Historici hadden enkele problemen met de Exordium, de eerste abdijkroniek. Zo begrepen ze niet waarom de eerste monniken toelating vroegen aan Anno, Aartsbisschop van Keulen, voor de bouw van een abdij. Daar Aartsbisschop Anno overleed in 1075 kon hij onmogelijk zijn goedkeuring geven aan de stichting van de abdij in 1083 omdat volgens de abdijkroniek de ridderstichters zo snel mogelijk terug naar Affligem gingen. Ze zullen daar zeker geen jaren over gedaan hebben. Daarom verwierpen ze de geschiedkundige waarde van dit document. De historici waren in de 19de en tot de helft van de 20ste eeuw Franstalig en kenden amper de Duitse taal. Ze hadden een relatief goed zicht op de situatie in het Graafschap Vlaanderen maar kenden noch Brussel noch het Hertogdom Brabant omdat daar de taal van de documenten Middelnederlands of Duits was. Voor Vlaanderen waren de documenten in het Frans.

Tot voor enkele jaren was men er van overtuigd dat de oorsprong van de abdij van Affligem enkel gezocht moest worden bij de graven van Leuven, de latere hertogen van Brabant (Graaf Hendrik III en zijn broer Godfried I met de Baard). Maar helemaal juist is dit niet.

Hertogen van Lotharingen en Graven van Leuven:
Hertogen

Het abdijdomein van Affligem lag in het allodium dat toebehoorde aan de hertogen van Lotharingen (Hertog Gozelo I van Verdun, de Grote). Het wordt nagelaten aan de beide dochters van Gozelo I: Oda van Verdun (die huwt met Graaf van Leuven Lambert II, genaamd Balderic) en Mathilde van Verdun (die huwt met de PaltsgraafHendrik I, de Monnik).
De eigenaars van het abdijdomein zijn, op het ogenblik van de oprichting van de abdij, dus Paltsgraaf Herman II en Graaf Hendrik III samen met zijn broer Godfried, de latere Hertog van Brabant.
Op het ogenblik van de stichting van de abdij van Affligem was Herman II nog minderjarig en werden zijn goederen beheerd door Bisschop Anno, die zijn voogd was. Om die reden gaan de eerste monniken van Affligem naar Bisschop Anno, zoals vermeld in het Exordium.
(terug inhoud)

1.4 Omgeving van Affligem bij de stichting van de abdij
De Franse Koning Karel de Kale maakt in 879 de Karolingische avonturier, Boudewijn I met de IJzeren Arm Graaf van Vlaanderen. In 925 werd de Schelde als grens tussen West-Francië en Neder-Lotharingen (Duitse Rijk) vastgelegd. Boudewijn IV, Graaf van Vlaanderen stak in het begin van de 11de eeuw de Schelde over veroverde een deel van Neder-Lotharingen hierin gevolgd door zijn zoon Boudewijn V. Het aldus ontstane Rijks Vlaanderen liep tot de Dender. De abdij van Affligem ligt op enkele honderden meter het Graafschap Vlaanderen. Het is duidelijk dat de abdij, van bij haar ontstaan, ook een verdedigende functie kreeg namelijk de Graven van Vlaanderen stoppen in hun gebiedsverovering.

Hertog Otto van Lotharingen, zoon van Karel van Lotharingen (of Karel van Frankrijk), stierf in 1005 kinderloos. De Graaf van Leuven, Lambert I, die gehuwd was met Gerberga, dochter van Karel van Lotharingen, kwam zo in het bezit van het Graafschap Ukkel-Brussel. De titel van Hertog van Lotharingen werd door de Duitse Keizer verleent aan Godfried I van Verdun. Zeer tot ongenoegen van de Graaf van Leuven die de strijd zal aanbinden (en verliezen) tegen de Hertog van Neder Lotharingen.

De geschiedschrijvers hebben het land van Asse op dat ogenblik (1005) onder de voogdij van de Graven van Leuven geplaatst. Dit blijkt onjuist. De corridor Dender –Zenne, die gaat van Asse tot Mechelen behoorde tot het markgraafschap Ename en werd bestuurd door Hertog Godfried I van Verdun. Het was dus Hertogelijk domein.
Na de eeuwwisseling ruilde Graaf Lambert I 30 mansi in de streek van Asse met de zonen van de hertog van Lotharingen (Godfried, de Kinderloze en Herman van Ename) voor een gebied in de streek van Binche (Henegouwen).

In 1086 zal de Graaf Hendrik III van Leuven en zijn broer Godfried een zeer belangrijke dotatie van 20 mansi doen aan de abdij van Affligem, deel van het vroegere domein van Godfried I, Hertog van Neder Lotharingen. Deze schenking is de grondslag van het kloosterdomein dat zou uitgroeien tot een van de belangrijkste van de Nederlanden.
(terug inhoud)

1.5 Ontstaan van de abdij
We zijn op de vooravond van de Investituurstrijd. Binnen de Kerk grijpt een belangrijke vernieuwingsbeweging plaats o.a. de stichting van de abdij van Cluny in Frankrijk.

In Vlaanderen en Brabant is er de priester monnik Wedericus van de Sint-Pietersabdij van Gent die predikend door het land trekt. Hij bekeert een zestal roofridders uit de streek van Affligem: Gerard de Zwarte (leider), Geldulf, Tibald, Emilien, Hargeer, Vulbodo (valt later af).


Ze besluiten in 1062 om zich in Affligem te vestigen. Op aanraden van Wedericus vragen ze daarvoor toelating aan Bisschop Anno van Keulen. Affligem ligt in het bisdom Kamerijk maar de reden van het bezoek is het feit dat het allodium rond Affligem beheerd wordt door Bisschop Anno die optreedt voor de minderjarige Paltsgraaf Herman II.

Later kregen de ridderstichters eveneens de toelating van de Bisschop van Kamerrijk (voor de oprichting van een abdij), van de Graven van Leuven (mede eigenaar van het allodium). Ook kregen ze toelating van de geestelijke Herbert die het pastoraat had van Asse. De abdij werd opgericht binnen de moederparochie van Asse.

Door Affligem als vestigingsplaats te kiezen speelden de ridders in op de plannen van de Graaf van Leuven en Bisschop Anno om stabilisatie te brengen in deze uithoek op de grens met Rijks Vlaanderen. De vestiging in Affligem was zeker niet alleen een militair belangrijk. Het was ook een geestelijk bolwerk en een centrum voor stimulatie van het handelsverkeer.
(terug inhoud)

2. Verdere geschiedenis van de abdij.

2.1 De ridderstichters
De ridders stichters doen in 1079 beroep op de benedictijnen van Anchin (Dowaai) voor hun opleiding. Ze verbraken echter de contacten omdat deze abdij de nieuwe stichting in Affligem aan haar rechtsmacht wou onderwerpen. In 1085 komt Fulgentius, monnik van Saint-Vanne te Verdun, naar Affligem. Als gevolg van de investituurstrijd had hij zijn klooster verlaten toen de Bisschop van Verdun in de ban van de kerk werd geslagen omwille van zijn keizersgezindheid. In datzelfde jaar wordt de regel van de H. Benedictus aanvaard. Een jaar later wordt de eerste abdij kerk ingewijd. Fulgentius wordt door in 1087 unaniem als eerste abt van de Abdij Affligem verkozen.

De ridder stichters verdwijnen in de geschriften naar de achtergrond. Nog éénmaal wordt Gerard de Zwarte vernoemd omdat hij Hertog Godfried IV van Bouillon vraagt een bezoek te brengen aan de abdij.
(terug inhoud)

2.2  Onder Brabant en de Bourgondiërs

In 1333 en 1356 wordt de abdij verwoest in de oorlogen tussen Brabant en Vlaanderen. Gedurende de daaropvolgende ballingschap van de monniken in de refuge te Brussel verslapte de kloosterobservatie. Het Westers Schisma bracht ook verdeeldheid in de communauteit. De abt bleef trouw aan Rome.
(terug inhoud)

2.3 Onder de Spaanse Habsburgers

In de 15de eeuw verkregen de abten het primaat in de Staten van Brabant en daardoor sterk betrokken in de Brabantse politiek.

In 1559 richt Filips II (Spaanse Habsburger, zoon van Karel V) nieuwe aartsbisdommen op. Affligem wordt toegewezen als dotatie aan het aartsbisdom Mechelen, waardoor de aartsbisschoppen ook seculier abt werd. Aan het hoofd van de abdij komt een “Proost”. Alle pogingen tot verbreking mislukten zodat de Aardbisschop van Mechelen abt bleven tot 1801.

In 1580 wordt de abdij opnieuw verwoest door de aanhangers van Willem van Oranje, de geuzen. De monniken hadden toen de abdij reeds verlaten en zwerven 27 jaar rond in ballingschap. Pas in 1605 vestigen ze zich opnieuw in Affligem en restaureren de abdijgebouwen.
In de 17de eeuw bloeide de abdij opnieuw op onder proost Benedictus van Haeften. Hij deed een beroep op Rubens en De Crayer om kerk en klooster te versieren. (terug inhoud)

2.4 Onder de Oostenrijkse Habsburgers

De invallen van Lodewijk XIV teisterden de abdij en haar bezittingen. Maar vanaf de tweede helft van de 18de eeuw volgde een nieuwe bloei onder proost Beda Regaus (+1808), de voornaamste Affligemse geschiedschrijver.
Bij de Brabantse omwenteling in 1789 kozen de monniken de kant van Hendrik van der Noot en de Statisten. Het beheer van de goederen werd onder sekwester gesteld en de abdij kreeg het zwaar te verduren bij de terugkeer van het keizerlijke leger.
(terug inhoud)

2.5 Onder Frankrijk

In 1795 worden de Zuidelijke Nederlanden ingelijfd bij Frankrijk en een jaar later wordt het decreet gepubliceerd over de afschaffing van de kloosterorden. Toen de Franse commissarissen de monniken bons aanboden werd dit door hen geweigerd. De monniken dachten dat de aanvaarding inhield dat ze instemden met de onteigeningen. Het oude domein ging volledig verlorenen. Op andere plaatsen zijn kloosterlingen er in geslaagd met de bons een deel van hun bezit terug te kopen.

Op 11 november 1796 werden de monniken verdreven, er waren toen nog 33 religieuzen. Ze gingen in gemeenschap leven in het kasteel van Overham. Toen Jan Jozef de Meer, baron van Moorsel, de soldaten verjoeg uit de abdij werden de monniken van medeplichtigheid verdacht en opgesloten in een paar kamers van het kasteel. B. Regaus, proost, was niet te spreken over deze dwaze actie van de baron. Hij vond trouwens ook de Boerenkrijg een zinloze onderneming.

Toen de monniken in 1798 een zware belasting moesten betalen ging men uit mekaar. De tachtigjarige proost verborg zich in de hoeve van Benedictus de Witte (langs de Brusselse Steenweg), laatste griffier van de abdij. Het Concordaat van Napoleon maakte een eind aan het patronaatsrecht van de abdij maar er kwam ook een einde aan de incorporatie van de abdij bij het aartsbisdom.

Een van de pijlers van het onafhankelijke België was de vrijheid van vereniging. Dit gaf abdijen de mogelijkheid zicht te herstellen. In 1837 hernam het kloosterleven van de monniken van de abdij van Affligem. Ze kochten een voormalig kapucijnenklooster op te Dendermonde.  In 1868 kocht de abt het Bisschoppenhuis te Affligem en in 1870 werd het kloosterleven, in Affligem zelf, hersteld.
(terug inhoud)

3. De invloed van de abdij - Primaria Brabantiae

3.1 Scriptorium

Affligem had een belangrijk scriptorium met een grote uitstraling. De abdij bezit thans geen middeleeuwse boeken meer, wel nog boeken uit de 17de eeuw.
(terug inhoud)

3.2 Stichtingen en patronaatsrechten

De abdij stichtte niet minder dan acht kloosters: de priorij van Neerwaver (1092), Frasnes-lez-Gosselies (1099), Bornem (1120) en de abdijen van Sint-Andries (Brugge, 1100), Vorst (Brussel, 1105), Maria Laach (Rijnland, 1112), Vlierbeek (Leuven, 1125) en Groot-Bijgaarden (1133).

Reeds in de eerste eeuw van haar bestaan werden meestal door tussen komst van de bisschoppen van Kamerijk, 46 altaren aan de abdij blijvend overgedragen, meestal met patronaatsrecht.

In 65 dorpen mocht ze het tienden innen. Aanvankelijk werden de tienden in natura door een daarvoor aangeduide tiendensteker (decimator) bij het inhalen van de oogst gevorderd. . In Affligem werd het vervoerd naar het domus regia (ook wel spijker geheten) of naar een nabijgelegen tiendenschuur. Later werden de tienden verhuurd aan de meest biedende die de pachtsom aan de ontvanger van de abdij betaalde.
(terug inhoud)

3.3 Necropool van Brabant

Affligem is ook bekend als necropool van Brabant. Vijf leden van het hertogelijke geslacht werden er begraven:

Hertog Godfried I (+1139), eerste hertog van Brabant.

Koningin Aleidis van Engeland (+ca1160), tweede vrouw van koning Hendrik I van Engeland. Hij was de jongste zoon van Willem de Veroveraar.

Hendrik van Leuven (+1141), monnik te Affligem en zoon van Godfried I.

Godfried Heer van Gaasbeek (+1254), zoon van Hertog Hendrik I. Zijn vrouw Mathilde werd hier ook begraven.

Maria, Hertogin van Brabant (+1224), gehuwd met Hertog Hendrik I en dochter van koning Filips August van Frankrijk.

Tijdens de 12de eeuw werd deze abdij de “Primaria Brabantiae”, de voornaamste huisabdij van de hertogen van Brabant. In vredestijd werd in de abdij van Affligem de banier van de hertog bewaard. De eerste Brabantse hertog (Godfried I) ligt in de abdij begraven.
(terug inhoud)

3.4 Steengroeven

De abdij liet in de streek van Asse en Laken Lediaanse natuursteen poelen. Deze werd o.a. gebruikt voor het optrekken van de Sint-Pieterskerk van Leuven, de OLV Kathedraal van Antwerpen, de Sint-Goedele kathedraal te Brussel, het Belfort van Aalst, de Basiliek van Scherpenheuvel, het Hotel van de Waalse gemeenschap naast het parlement (Refuge huis van de abdij).

De eerste vermelding van een zandsteengroeve dateert van 1151 in de omgeving van Doment-Nievel. Ook in Meldert werd er toen al steen gepoeld. Het aantal arbeiders en steenkappers dat er woonden was zo groot dat Aalst de grootste moeite had om te beletten dat er markt werd gehouden. De zandsteen die er gepoeld werd was zeer wit, hard en toch bewerkbaar. In Affligem zijn er nog overblijfselen van verschillende groeven. De bekendste zijn de “Duivelsputten” Van 1409 tot 1790 stond er op de Galgenberg een galg van het Hertogdom Brabant. De lijken van de ter dood veroordeelden werden in de “Duivelsputten” gegooid vanaf het ogenblik dat de groeve niet meer in gebruik was.

Na de Franse tijd werd er op beperkte schaal nog stenen gepoeld tot de tweede helft van de 19de eeuw zoals voor de restauratie van, de Sint-Martinuskerk in Aalst. De monniken zelf zullen in 1889 steen uit Gobertange in de voorgevel van het Bisschoppenhuis. Zo kwam een einde aan meer dan 6 eeuwen plaatselijke kalkzandsteenwinning door de abdij.
(terug inhoud)

3.5 Domein van de abdij

De basis van het domein werd gelegd door Graaf Hendrik II van Leuven. Hij schonk 20 mansi in de omgeving van de abdij in 1086. De hoge adel in Brabant en Vlaanderen volgde zijn voorbeeld.

Op het einde van de 13de eeuw bezat Affligem ongeveer 10.000 ha waarvan 2.000 ha bos. De goederen lagen verspreid over 125 dorpen gaande van Zeeuws Vlaanderen over de Antwerpse Kempen, het Leuvense tot Noord-Henegouwen. De kern van het gebied was West- en Waals Brabant.
In de 15de eeuw bezat de abdij bijna 15.000 ha. Daarna zou werden er maar sporadisch gronden verworven.
Op het einde van de 18de eeuw, nadat een belangrijk deel van de eigendommen verkocht was om te voldoen aan de belastingen van de Fransen bezat de abdij nog altijd meer dan 8000 ha en een inkomen van 172.000 gulden. Daarmee was ze de rijkste van de Zuidelijke Nederlanden.

Bij de opheffing van de abdij in 1796 werd het hele domein genationaliseerd en verkocht behalve een aantal bossen die domaniaal bleven tot het midden van de 19de eeuw.  De abdijgebouwen en het omliggende domein werd opgekocht door de Franse generaal de Guéroult de la Pallière. Deze liet de meeste gebouwen slopen. Nadien verwisselde het domein nog verschillende keren van eigenaar tot prior Jozef Vael van Dendermonde ze in 1868 aankocht . Sindsdien hebben de Benedictijnen er opnieuw hun intrek in genomen.
(terug inhoud)

3.6 Heerlijke grondrechten, renten en rechtspraak

Vanaf de 13de eeuw daalden het aantal conversen. De abdij kon zijn domein bijgevolg niet meer rechtstreeks exploiteren. Affligem heeft zijn gronden dan meestal in tenure gegeven waarbij ze de volle eigendom van zijn domein bleef bezitten. Het systeem waarbij ze haar grond in cijnspacht of in leen gaf paste ze weinig toe omdat ze dan praktisch haar eigendomsrecht verloor.

Affligem verzamelde heel wat renten in geld of graan die echter vaak belast waren met een jaargetijde, een donderdagmis, een zondaagse mis, … In 1426 waren er 242 jaargetijden

Strafrechterlijk zaken werden uitgeoefend door de Hertogen van Brabant, voogd van de abdij. De grondrechtspraak oefende de abdij uit via het leenhof van Affligem . Haar bevoegdheid was zowel in Brabant als Vlaanderen erkend.

De Overdracht van goederen en betwistingen viel onder de bevoegdheid van de laatbank van Affligem. Deze was bevoegd voor 14 dorpen. Hertog Jan I heeft de laatbank omgevormd tot een schepenbank met meier, zeven schepenen en een griffier.

Affligem had ook nog “sach” rechten (een recht om sprokkel- en brandhout te halen), jacht- en visrechten, banaalrecht (recht op de fabricatie van gist), verschillende tollen (marktrecht, bareelrecht, doorvaartgelden, biertol,…).
(terug inhoud)

4. Bouwkunst

De ridderstichters richtten in 1083 een eenvoudige bidplaats op, een huis voor de armen, een ander voor de gasten en een hut voor henzelf. Waarschijnlijk gemaakt uit hout en leem.
(terug inhoud)

4.1 De Romaanse abdij

De eerste abdijkerk, met als patroon Sint-Pieter, dateert van 1086. Het was een Romaanse zaalkerk zonder zijbeuken. De afmetingen waren eerder gering: 20 meter bij 6.  In de 16de eeuw werd ze de donkere kapel genoemd die diende als kapittelzaal voor de lekenbroeders.

In 1129 begon men met de bouw van een Romaanse kruisbasiliek. De kerk had vijf torens: 2 aan de westkant naast het portaal en twee aan de oostkant en een centrale toren op de viering. Er waren zowel binnen als buiten galerijen. Bij de verwoestingen door de Graven van Vlaanderen in 1333 en 1356 werden 3 torens verwoest, enkel de Westertorens bleven staan.

Romaanse Abdij

 

De Romaanse westvleugel (domus regia) van de abdij zou zijn opgericht door koning Hendril I van Engeland omstreeks 1130. Zijn tweede vrouw, Aleidis van Brabant, heeft in de abdij haar laatste levensjaren doorgebracht en werd er begraven.
(terug inhoud)

4.2 De Gotische wijzigingen

Na de verwoestingen werd het Romaanse koor vervangen door een gotisch koor. Enkel de voorgevel en de torens behielden hun Romaans karakter.

In 1243 werd de oostvleugel van de abdij opgericht met op de benedenverdieping het crispinum (waar de zieken aten), het parlatum (spreekplaats) en de kapittelzaal. Op de eerste verdieping kwam de slaapzaal waardoor de vleugel dormitorium werd genoemd.

In datzelfde jaar worden de kloostergangen gebouwd. Centraal in een abdij is het kloosterpand. Een rechthoekige ruimte omringd door 4 overwelfde kloostergangen. In Affligem waren de gangen oorspronkelijk niet overwelfd. Door een verlaging van de temperatuur in onze streken wordt de kloostergang volledig dichtgemaakt in de 15de eeuw door middel van gotische vensters.
(terug inhoud)

4.2.1 De ruïne van de oude abdijkerk

Na drie branden (1334, 1356 en 1580) blijft er van het Romaanse uitzicht niets meer bewaard en door het slopen met de Franse revolutie blijft er slechts een stuk muur over van de zuidelijke zijbeuk. De muur telt nog 5 traveeën, geritmeerd door diep geprofileerde spitsboogvensters met omlopende druiplijsten. Deze spitsboog vensters zijn een gevolg van aanpassing van de Romaanse kerk aan de Gotische stijl. Wie zeer goed kijkt moet nog in de resten van de muurbekleding pilasters en rondbogen ontdekken. Deze werden aangebracht door architect Dewez toen hij de kerk een “barokke” tint wou geven.

De muur is oorspronkelijk opgetrokken in de kalkzandsteen uit de groeven van de abdij. De bakstenen zijn ook een later toevoeging daar op het ogenblik van de bouw de “baksteen” nog niet herontdekt was. Waar nu het grote kruis staat stond het hoogaltaar waarvoor Rubens “De beklimming van de Calvarieberg” schilderde dat zich nu in het Museum voor Oude Kunst te Brussel bevindt. Daarom noemt men deze plaats: Calvarieberg.

Rechts van de weg duiden twee rechthoeken uit zware stenen de plaatsen aan waar tot 1930 de beenderen van de familie van de Hertogen van Brabant begraven lagen. Ook de bekende Vlaamse geschiedschrijver Sanderus is in deze kerk begraven. Hij bracht zijn laatste jaren in de abdij door (+1664).
(terug inhoud)

4.3 De Barok te Affligem

De abdij was bijna volledig vernield door de troepen van Willem van Oranje in 1580. Aartsbisschop Hovius, seculier abt van de abdij, verwaarloosde de overblijfselen van de abdij volledig. Hovius had de bedoeling de abdij een stille dood te laten sterven door geen nieuwe novicen te aanvaarden. Daar wordt wel een stokje voor gestoken door Aartshertog Albrecht die Hovius in 1601 verplicht de abdij te laten restaureren. De monniken, die verplicht gevestigd waren in hun refuge huis van Mechelen, konden in 1605 terugkeren naar Affligem.

De monniken van de Abdij Affligem slagen er echter niet in om de gehate incorporatie te verzachten of ongedaan te maken zoals in andere abdijen.

De eerste decennia van de 17de eeuw wordt er voortdurend gerestaureerd. De barok komt spaarzaam aan bod. De daken van de kerktorens  en het fronton van de voorgevel worden in barokstijl uitgevoerd.
(terug inhoud)

4.3.1 Abdijhoeve

In 1635 vormde de portiek vóór de proosdij de doorgang van de kruisgang naar het klein hospitum. Waarschijnlijk werd de thans nog bestaande zandstenen poort toen opgericht. Langs beide zijden van de poort staan slanke gecanneleerde composietzuilen met renaissance-inslag. Deze portiek werd in 1930 naast het Benedictusheem geplaatst.

De wasserij, het huidige Benedictus heem, is mogelijk een oude hopschuur uit de 16de eeuw. De bovenverdieping en de zijgevels werden later toegevoegd. Het houthuis naast de wasserij met de rondboogdeuren en kleine rechthoekige venstertjes dateren uit de 17de eeuw. In 1965 wordt de uitbating van de abdijhoeve stopgezet.
(terug inhoud)

4.3.2 Bisschoppenhuis

De tweede helft van de 17de eeuw is een periode van stagnatie als gevolg van de vele Franse invallen.
Aartsbisschop Thomas d’Alsace verkoopt in 1717 zijn ambtswoning die eveneens dienst deed als gastenhuis, aan de monniken om zijn paleis te Mechelen te bekostigen. Het gebouw werd hersteld, uitgebreid en verfraaid. In 1720 werd de voor- en zijgevel voltooid in laatbarokstijl. De architect was J.A. Anneessens, zoon van de Brusselse vrijheidsheld.  

Enkel de rechtervleugel is overgebleven en noemt men sedert de 19de eeuw “Het Bisschoppenhuis” daarvoor was het de zijvleugel van de oude prelatuur of het klein hospitum.
 De voorgevel is gebouwd uit kalkzandsteen in Affligem gepoeld. Hij is drieledig met links en rechts blokpilasters. Hij wordt verlevendigd door de decoratieve uitwerking van de middentravee. De omlijsting van de deur gaat over in voluten rond het venster van de eerste verdieping. De voluten zelf dragen een segment-vormig gebogen fronton met een oeil de boeuf venster. Op het dak staan twee monumentale siervazen. Het witte torentje is een latere toevoeging.

In 1868 koopt Dom Jozef Vael  het Bisschoppenhuis terug. Beneden komt een voorlopige kerk en boven de woonruimtes van de monniken.
(terug inhoud)

4.3.3 Benedictuspoort

De oorspronkelijke Benedictuspoort dateert van 1613. Ze werd volledig vernieuwd in 1720 door J. Anneessens. Het was één van de poortgebouwen die het hospitum omlijsten. In de Benedictuspoort (rechts van het Bisschoppenhuis) was de rekenkamer of comptoir gevestigd. Van 1885 tot 1940 was er de brouwerij in onder gebracht.

De poort heeft een mansardedak en kruisvensters. De poort vooraan werd in 1951 vervangen door een venster. In datzelfde jaar werd het Bisschoppenhuis verbonden door middel van een muur met de Benedictuspoort. Tot de vorige eeuw (20ste eeuw) werd daar de beroemde Affligemse cider gemaakt.
(terug inhoud)

4.4 De onvoltooide Classicistische abdij

4.4.1 Een eerste plan, nooit uitgevoerd.

In 1761 betaalt de abdij 600 gulden aan architect L. Dewez voor een plan voor de abdij. Volgens dat plan wordt van de oude abdij enkel de kerk en de sacristie bewaard, alle andere gebouwen moeten verdwijnen.

De gotische kerk, met barokke voorgevel, moest echter aangepast worden aan de classicistische smaak van die tijd. De gotiek van de bestaande kerk heeft afgedaan. Het plan om het exterieur “aan te passen” wordt niet uitgevoerd. Wel gaat men het interieur van de kerk classicistisch verbouwen of “opsmukken in Romeinse stijl”.

Omdat L. Dewez zeer veel belang hecht aan harmonische verhoudingen wordt de narthex (ruimte tussen de twee Westertoren) afgesloten. De zuilen van de beuken krijgen Corinthische kapitelen. Onder de vensters van de middenbeuk gaat men decoratieve panelen in stuc aanbrengen.

Ook het koor wordt classicistisch heringericht door middel van het aanbrengen van pleisterwerk. De kerk en het hele klooster wordt gewit. De gekleurde pentekening van de restanten van de abdijkerk in 1814 laten duidelijk zien dat de kerk door L. Dewez “classicistisch” werd aangepast.

 Het plan van L. Dewez voor de abdij is te groots en te duur om gerealiseerd te worden. De abt vraagt een nieuw, maar soberder plan.
(terug inhoud)

4.4.2 Een tweede plan


Ontwerp Dewez

Het nieuwe plan, classicistisch van opbouw, werd een regelmatige rechthoek met vier binnenhoven. De kerk is centraal en haar voorgeven maakt deel uit van de voorkant (Westgevel) van de abdij. Na verdere vereenvoudigingen was het een streng Lodewijk de  XVI de gebouwencomplex. Het was volledig symmetrisch met grote ramen en ruime gangen. De voorgevel was 122 meter en de zijgevels 154 meter.
(terug inhoud)

 4.4.3 De uitvoering van het 2de plan

Op 7 mei 1770 wordt plechtig de eerste steen gelegd van de nieuwe abdij. Architect Louis Montoyer hield toezicht op de werken.

In 1777 werden de daken voltooid van het vierkant rechts achter de kerk. Men gebruikte zandsteen uit eigen groeven, arduin uit Feluy, leien uit Namen, papesteen uit Boom. Enkel de ruwbouw werd gezet, de monniken maakten dus nooit gebruik van deze bouw.

Waarschijnlijk moet de abdij geen financiële middelen meer gehad hebben want de verdere afwerking wordt stopgezet. Een van de reden is de bouw van een refuge huis in de Warandewijk te Brussel.

Zoals de abdij van Grimbergen en de abdij van de Koudenberg en de Sint-Geertrui abdij werd ook de abdij van Affligem verplicht om mee te werken aan de aanleg van het Koningsplein en de Warandewijk. Deze abdijen werden onder druk gezet door het niet benoemen van abten. Voor de abdij van Affligem lag dat enigszins anders omdat de abt van de abdij was de aartsbisschop van Mechelen was. De abdij van Affligem steunde het project evenwel om de keizer van Oostenrijk gunstig te stemmen. Verloren moeite want in 1796 worden vele kloosterorden afgeschaft.

De abdij van Affligem zal het herenhuis (hotel), links van de kanselarij van de Raad van Brabant, bouwen. Het hotel wordt ontworpen door architect L. Dewez. De voorgevel was een ontwerp van B. Guimard, die de Warandewijk ontwierp. Enkel de middenbouw is bewaard gebleven namelijk het hotel Torrington, genoemd naar de vroegere huurder.

In 1796 wordt de abdij van Affligem als openbaar goed verkocht. De kerk werd gesloopt en in 1801 woonden er 3 of 4 gezinnen in de abdij en er waren ook enkele herbergen. Geleidelijk wordt het hele complex gesloopt. Het arduin wordt verwerkt in de Mechelse Poort te Dendermonde. In Meldert worden stenen verwerkt bij de aanleg van straten. Grafzerken van monniken worden gebruikt voor de aanleg van de Dendersluis in Appels. Later worden ze in de kruisgang van de abdij van Dendermonde gelegd.
(terug inhoud)

4.5 De Neogotische abdij

In de zaal van het Bisschoppenhuis werd in 1870 een voorlopige kapel opgericht. De monniken ijverden uiteraard voor de bouw van een kerk. Het werd een één beukige neogotische kerk met steil zadeldak van architect Arthur Verhaegen uit Merelbeke. Het was volledig in baksteen met uitzondering van de delen die aan de regen moesten weerstaan: vensterdorpels, dekstenen van de puntgevels en steunberen. Deze waren in arduin. De dakruiter was voorzien van een hoge slanke spits. De zoldering was van hout.
Omdat men in 1970 een nieuwe kerk bouwde werd eerste het koor gesloopt en in 1972 het schip. Ondertussen was de dakruiter al neergestort.
De westvleugel van de abdij bestaat nog steeds: lancetvensters, leien zadeldak, dakkapelletjes. 

In 1896 wordt in het verlengde van het bisschoppenhuis de recreatiezaal van de priesters gebouwd die later bibliotheek en keuken wordt. De architect is Petrus Lambert, een priestermonnik  uit Kanegem. Op de bovenverdieping kwam een drukkerij en 7 cellen.
Aan de Oostzijde kwam een hoge refter met bakstenen gewelven ondersteund met ijzeren kolommen.
(terug inhoud)

4.6 Droomplannen

In 1913 liep men in de abdij rond met de idee een neoromaanse abdij te bouwen. De kerk zou een reconstructie worden van de oorspronkelijke basiliek maar met twee westtorens en een vieringtoren (dus zonder de twee Oosttorens). De plannen voor de abdij zouden te vergelijken zijn met het eerste plan van Dewez maar dan zonder de westvleugel. Ze was berekend op een honderdtal kloosterlingen.

Het uitbreken van de oorlog verhinderde de realisatie van de plannen. Het is trouwens twijfelachtig of de abdij een dergelijk groots project kon realiseren.
Gedurende de oorlog was er nog het plan van Willem Moolengraaff, een vereenvoudigde versie van het neoromaanse plan. Ook van dat plan kwam niets terecht.

Het plan van Paul Bellot (1923-1929) werd gedeeltelijk uitgevoerd. De zuidvleugel werd verbouwd en uitgebreid: vergroting van de refter en aanpassing van de achterbouw van het Bisschoppenhuis. Positief was de verwijdering van de zuivelfabriek met zijn enorme fabriekstoren en de schrijnwerkerij.
(terug inhoud)

4.7 De aanpassingen van architect Alexander Kropholler

Op het einde van de 19de eeuw domineerde het utilitaire. Daarna verloor de abdij zich in irreële droomplannen. Het was Kropholler die oud en nieuw liet samensmelten.
 De Oost- en zuidvleugel werden gerealiseerd. Bijzonder geslaagd is de kloostergang die een meesterwerk van monastieke architectuur wordt genoemd.  De kerk die Kropholler ontwierp werd niet gebouwd. In 1970 werd geopteerd voor een functionele zaalkerk. De voorgevel die eerst barok getint was, werd uiteindelijk zeer eenvoudig uitgevoerd. In 1972 werd de kerk in gebruik genomen.
De kerktoren die in 1954 werd gebouwd volgens gewijzigde plannen van T. Vijverman uit Denderleeuw staat er wat eenzaam bij.
(terug inhoud)

5. Bibliografie

W. Verleyen en L. Van Eeckhoudt. Iconografie van de Sint-Pieters en Paulusabdij Affligem. 1990, Het Streekboek, Nieuwkerken-Waas.

W. Verleyen. Negen eeuwen Affligem 1083-1983. 1983, Vita, Zingem.

J. Verbesselt. Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw Deel V. 1966, G. Veys, Pittem.

Jaak Ockeley. Kaartboek van de abdij Affligem 1717-1752. 2003, Algemeen Rijksarchief, Brussel.

F.J. Van Droogenbroeck. Jaarboek voor middeleeuwse Geschiedenis, Paltsgraaf Herman II en de stichting van de abdij van Affligem. 1999, Verloren, Hilversum.

L. Deléhouzée, J. De Meulemeester, M. Laleman, A. Lemeunier, A. Mathys, M. Piavaux. Romaanse Architectuur in België. 2000, Lannoo, Tielt.

L. Dhondt, J. Hubert, C. Vachaudez, F. Van Cleven, D. Van de Vijver. 18de –eeuwse Architectuur in België. 1998, Lannoo, Tielt.

W. Verleyen. De refuges van de abdij van Affligem in Brussel. 2003, Artikel in Jaarboek 2003 Heemkundige kring Belledaal, Affligem.

E. Put, C. Harline. Verloren schapen, schurftige herders De helse dagen van bisschop Mathias Hovius 1542-1620.2002, Davidsfonds, Leuven.

M. Wasseige. Het Koningsplein en de Warandewijk. 2000, Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk gewest, Dienst Monumenten en landschappen.

Roel Jacobs. Brussel, de geschiedenis van een stad. 1994, Mark Van De Wiele, Brugge.
Raoul Bauer. De lage landen, een geschiedenis in de spiegel van Europa. 1994, Lannoo, Tielt.

Patricia Carson. Het fraaie gelaat van Vlaanderen. 2001, Lannoo, Tielt.

A. Morelli. De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië. 1996, De Geus, Breda.

E. Hastinghuis, H. Janse. Bouwkundige termen, Verklarend woordenboek van de westerse architectuur – en bouwhistorie. 2001, Primavera Pers, Leiden.

Marcel van Liedekerke. Steenrijk Dilbeek. 1998, Open Monumentendag.

H. Bussers, L. De Belie, S. Hautekeete. Museum voor Oude Kunst Brussel. 2001, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel.
(terug inhoud)

Nota:

Fundatio Monasterii Lobiensis – Prior Hugo van Lobbes (1170-1174). TERUG

In 1.1.3 wordt uitgelegd dat het Affligemse allodium bezit was van de familie de Verdun. TERUG

Allodium: erfgoed in volledige eigendom, staat tegenover een leen. TERUG

G. Despy en P. Bonenfant TERUG

Exordium seu fundatio monasterii Halffligeniensis (11 de eeuw) TERUG

Sommige kopieën van het Exordium vermelden het jaartal 1083 als stichtingsdatum van de abij. In dat jaar zouden de ridders zijn terug gekomen van de reis naar Bisschop Anno, wat totaal onmogelijk is omdat de Bisschop reeds in 1075 overleden was.. TERUG

Hertogen in het geel en Graven van Leuven in het groen. Op het ogenblik dat Godfried I in 1106 Hertog wordt van Lotharingen had de titel alle inhoud verloren. Wel maakt, vanaf dat ogenblik, het marktgraafschap Antwerpen deel uit van Brabant. Het hertogdom Lotharingen heeft opgehouden te bestaan. TERUG

Gozelo I van Verdun was hertog van de beide Lotharingen en vanaf 1025 marktgraaf van Antwerpen. TERUG

Paltsgraaf: is een graaf verbonden aan het koninklijk hof. Het Lotharingse palatinaat bleef tot halverwege de 12de eeuw een afzetbare functie waarover de koning besliste. Tot 1085 bleef het in handen van het nageslacht van Herman I, de Tengere. Aan het palatinaat was een uitgestrekte jurisdictie verbonden. De Ezzonen (opvolgers van Ezzo, zoon van Herman I) bestuurden een groot aantal graafschappen in het Rijn- en Maasland. Herman II is de laatste van het geslacht der Ezzonen. TERUG

In 1062 neemt Bisschop Anno het Rijksbestuur van Duitsland in handen en wordt de leermeester van de toekomstige keizer Hendrik IV tot 1065. TERUG

Boudewijn had in 862 de dochter (Judith) van Karel de Kale ontvoerd. Toen Boudewijn dreigde zich aan te sluiten bij de Noormannen maakt Karel hem graaf van enkele gouwen aan de Schelde. TERUG

De Dender was “ongeveer” de grens tussen Rijks Vlaanderen en Brabant. De deelgemeente Teralfene en ook de gemeente Liedekerke maakte bijvoorbeeld deel uit van Rijks Vlaanderen, niettegenstaande ze op de rechteroever van de Dender liggen. TERUG

Markgraaf: Oorspronkelijk was een mark een verzameling gouwen in een grensgebied dat moest verdedigd worden. Aan het hoofd stond de markgraaf. Later werd het een eretitel voor belangrijke Graven (de Graven van Vlaanderen voerden soms de titel van Markgraaf). Zo is “markies” een adellijke titel geworden. TERUG

30 mansi of 450 Ha is een omvangrijke oppervlakte. Dit betekent dat 1/6 van de Heerlijkheid Asse een allodiale herkomst heeft. TERUG

Strijd die losbarst in 1075 onder Paus Gregorius VII. De kerk, die tot dat ogenblik een “Rijkskerk” was, wou bevrijd zijn van de invloed van wereldlijke heersers. De kerk ging zelfs verder en verklaarde de superioriteit van de Kerk boven de Staat en het onbeperkte gezag van de Paus in de kerk. Het is duidelijk dat de Paus hier frontaal in botsing komt met de Duitse keizers die hun macht steunden op de aanstelling van Bisschoppen in de verschillende graafschappen. TERUG

Volgens het Exordium, de eerste abdijkroniek. TERUG

Het geheel van rechten die iemand kreeg in de middeleeuwen bij het oprichten van een kerk (of abdij). Een van de rechten was het voordragen van een pastoor voor een parochie en het recht een deel van de parochiale tienden te innen. TERUG

De Benedictijnen zijn de oudste kloosterorde van de Westerse wereld. Pas op het einde van de 19de eeuw vormen ze één congregatie. Daarvoor vormden ze geen aaneengesloten orde met een centraal gezag. De abt wordt door de monniken verkozen. TERUG

Ongetwijfeld waren zij geen roofridders zoals in het Exordium beschreven. In de bisschoppelijke oorkonde s er niets te vinden over “struikrovers”. De vriendschappelijke relatie tussen één van de ridders en Godfried van Bouillon sluit dat ook uit. Het waren waarschijnlijk grafelijke ridders. TERUG

Godfried van Bouillon is één van die helden gecreëerd door de geschiedschrijving na de onafhankelijkheid van België. Ze wou bewijzen dat België reeds een eenheid vormde vanaf 57 voor Christus.
Godfried van Bouillon, Hertog van Neder Lotharingen, startte in de 1ste Kruistocht (1096) wel als aanvoerder van het leger van Lotharingen maar werd vervangen door Raymond de Saint-Gilles omdat Godfried bleef plakken in Edessa waar hij een graafschap stichtte. Zijn inkomsten waren duidelijk, belangrijker dan vechten voor de goede zaak. Nadat er 10.000 stuivers zijn betaald keert Godfried van Bouillon terug naar de kruistocht.
Niemand wou de titel van “Beschermer van het heilige Graf” omdat het Heilig Land zo afhankelijk was van het Vaticaan. Godfried aanvaardde de eisen van paus Urbanus II.
Voor de hedendaagse historici is Godfried een immorele profiteur, roofzuchtig en schaamteloos. TERUG

In de loop der eeuwen ontstond naast de Regel een hele codex van voorschriften die tot doel had het leven van de monniken tot in de details te regelen. Groot belang werd gehecht aan de uiterlijke vorm. Het geheel van deze minutieuze bepalingen noemt men observantie. Affligem onderging grote invloed van Cluny, zonder er zich bij aan te sluiten. TERUG

Periode tussen 1378 en 1449 tijdens hetwelk er gelijktijdig twee en soms zelfs drie pausen waren. Bij de verkiezing van Paus Urbanus VI werd het conclaaf herhaaldelijk gestoord. Een deel van het kardinaalscollege verkoos toen een andere paus: Clemens VII, verwante van de Franse koning. Clemens VII vestigde zich in Avignon. Vlaanderen en Brabant erkenden de Romeinse Paus. Toch waren er tegenstellingen, ook binnen de abdijen. TERUG

Staten of Standen van Brabant: Vertegenwoordiging van adel en steden en later de clerus (namelijk de abten van de 12 grootste abdijen). Ze beslisten over de “bede” of belastingen gevraagd door de vorst. Dergelijke toelatingen werden gegeven in ruil voor inspraak (privileges). Ze waren ook verantwoordelijk voor grote openbare werken. TERUG

Gaspar De Crayer: Zuid-Nederlands schilder van portretten en altaarstukken. Leerling van Coxie(Brussel). Hij wordt in 1630 Hofschilder. Zeer sterk beïnvloed door Rubens. TERUG

Schrijver van Directorium Abbatiae Hafflighemnesis alsook Bona et Jura Monasterii Hafflighemnesis. TERUG

De hervormingen van de verlichte despoot Jozef II werden niet door iedereen gesmaakt. Jozef II had de macht van de kerk en de adel zeer duidelijk aangetast ten voordele van het volksbelang. Als er in 1789 de Brabantse Revolutie uitbreekt zijn er twee groepen: de Statisten, die terug willen naar het ancien regime en de Vonckisten, meer democratisch en de afschaffing van de oude (o.a. kerkelijke) voorrechten. TERUG

  Bons: soort schadevergoeding voor onteigende goederen. TERUG

Boerenkrijg: opstand in 1798 van de Vlaamse bevolking (Brigands) tegen de Fransen (Sansculotten). De bevolking was bijzonder ontevreden over de antigodsdienst politiek en de plunderingen. De voornaamste reden echter was de invoering van de dienstplicht (met loting systeem). Na een paar maand was de opstand bloedig de kop ingedrukt. TERUG

Concordaat: overeenkomst tussen de H. Stoel en de staat (in dit geval Pius VI en Napoleon Bonaparte). TERUG

Schrijfkamer in de middeleeuwen waar de codices (boeken) werden gemaakt. TERUG

Patronaatsrecht: bevoegdheid om de bedienaar aan de bisschop voor te stellen. Vanaf de incorporatie van de abdij bij het aartsbisdom Mechelen zal de aartsbisschop als abt tegelijk én het presentatierecht en het aanstellingsrecht bezitten. TERUG

De priorijen bleven afhankelijk, de abdijen werden achteraf zelfstandig. TERUG

Tiendenrecht: een recht om een tiende deel te heffen van de gewassen die groeien op grond bij een ander in gebruik. Ook moet één tiende van de jongen van dieren op die grond geworpen worden afgedragen. Het systeem is van kerkelijke oorsprong. De tienden kwamen toe aan de plaatselijke kerken. Later zijn op allerlei wijzen tienden in handen van wereldlijke personen gekomen. TERUG

Necropool: benaming voor een grafcomplex. TERUG

Teken van gezag. Het is een stoffen vaan bevestigd aan de lans van een edelman. Banieren voeren de kleuren en tekenen van de hertog en zijn geslacht (huis) en zijn de voorlopers van de heraldische wapens TERUG

Conversen: monniken die geen priester waren. TERUG

Tenure: in vruchtgebruik. TERUG

Aanvankelijk was de abdij aangewezen op wijnaanvoer uit het Rijnland. In de 12de een 13de eeuw is er een belangrijke wijnproductie in Brabant. De abdij heeft een reeks wijngaarden in Rumst, Ossegem (Laken), Meldert en Waver. In de 15de eeuw vallen de winterlandschappen van Breughel op. Het klimaat koelt af in de 15de eeuw. TERUG

In 4.4 wordt nader ingegaan op de plannen van architect Dewez. TERUG

De baksteen werd 6000 jaar geleden in Mesopotamië reeds toegepast. In Europa werd de baksteen ingevoerd in de gotiek. In Zuidelijke Nederlanden vanaf de 13de eeuw. TERUG

Zijn hoofdwerk is “Flandria Illustratta”. Gedurende zijn verblijf in Affligem verscheen zijn historisch werk: “Chorographia sacra Brabantiae”, een verhandeling van kloosters in Brabant. Toen de Heemkundige kring van Affligem op vraag van het gemeentebestuur voorstelde om de nieuwe cultuurzaal “Sanderus” te noemen werd dit geweigerd. De bestuursmeerderheid wou geen naam van een “priester” wou geven aan de zaal. TERUG

Het samenvoegen van de abdij en het aartsbisdom zodat de abdijgoederen een belangrijke inkomstenbron vormen voor de aartsbisschop. De abdij is op dat ogenblik gedegradeerd tot dotatie. TERUG

Woonhuis van de proost. De proost was de vervanger van de niet-residerende abten. Voor Affligem was dat de aartsbisschop van Mechelen tot 1801. TERUG

De Hénin-Liétard de Boussu. Geboren te Brussel in 1679. Hij werd Kardinaal door zijn optreden tegen het Jansenisme. Hij was voorzitter van de Staten van Brabant en geheim raadsheer van de keizer. Hij verbood de missen voor Frans Anneessens (zie verder). TERUG

Frans Anneessens, Brusselse deken van “De vier gekroonden”. Wordt door de Belgische geschiedenis als held beschouwd omdat hij opkwam voor de “stedelijke vrijheden” tegen het Oostenrijkse bewind. In feite kwam hij op voor de totaal verouderde privileges van de gilden. Hij weigerde dat Brussel de jaarlijkse belastingen moest betalen omdat er één stad was die niet moest betalen: Antwerpen. Hij vergat echter dat Antwerpen een garnizoen moest onderhouden en daarom werd vrijgesteld. Er werden nog 5 andere dekens aangehouden en licht veroordeeld. Anneessens bleek echter kampioen in het vinden van uitvluchten om geen belasting te moeten betalen. TERUG

Poelen: ontginnen van steengroeven. De steengroeven van Affligem zijn van het open type. Van bij de ontginning van de Lediaanse kalkzandsteen heeft de abdij van Affligem een grote rol gespeeld. Tot 1486 zal de abdij zelf de steengroeven (scheysputten) uitbaten daarna geeft ze deze in pacht. TERUG

Een weinig vooruitspringende muurpijler waarvan de schacht uit blokken bestaat. TERUG

Mansardedak: dak met steile ondervlakken en licht hellende bovenvlakken. De mansarde is de zolderkamer die gevormd werd door het dak ontworpen door F. Mansart (1660). TERUG

Stenen venster dat door middel van een stijl en een tussendorpel in 4 vlakken wordt verdeeld. TERUG

Montoyer, Louis(1749–1811). Zuid-Nederlands architect. Hij bouwde als hofarchitect van landvoogdes Maria-Christina, het Kasteel van Laken (1784), St.-Jacob-op-Koudenberg (1787) en het complex Wetstraat (1778). In 1795 week hij uit naar uit naar Wenen, waar hij, zijn functie van hofarchitect voortzette. Hij voerde het classicisme van zijn leermeesters B. Guimard en L. Dewez in Oostenrijk in. TERUG

Hiertoe worden alle stookgaten onderaan en rookgaten bovenaan luchtdicht afgesloten, waarna men voor het dichtstrijken van de laatste stookmond met een papje van klei en zavel, er nog steenkool (vroeger nat elzenhout) ingooit.  De zuurstof die het ijzer in de stenen eerst mooi rood kleurde wordt nu gereduceerd met als resultaat bekomt de typische blauwzwarte stenen, tegels en pannen. TERUG

De zetel van de Raad van Brabant was gevestigd in het Huis der Natie, nu Federaal parlement. De kanselarij (links) diende nog als residentie voor de prins van Oranje. TERUG

Nu is het de zetel van de “Conseil de la Communauté Française”. TERUG

 

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com