home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel De Papeter, spotnaam van de Essenaar Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Het klooster Affligem hoort op Hekelgem te liggen

door Ben Vermoesen

Deze zomer bracht een groep toeristen uit Westmalle een bezoek aan de abdij Affligem. Na de rondleiding door het Bisschoppenhuis, de refter, de kerk, de kapittelzaal, de bibliotheek en de abdijtuin met de ruïnes reageerden de mensen erg enthousiast maar sommigen konden het niet laten op te merken dat “bij ons” de Westmalle nog in de abdij gebrouwen wordt. Dat de Affligemse brouwerij – tot 1940 in werking – een geschiedenis van negen eeuwen torst en de Westmalle amper twee eeuwen telt, kon niet op tegen het feit dat “wij” zelf nog brouwen . Deze chauvinistische reactie, een uiting van fierheid over en verbondenheid met hun abdij, viel mij te binnen toen ik in het archief van Frans Moortgat (1) een document vond met als kop:

Redenen waer door het de gemeynte van Hekelgem
meynen te staene het Clooster van  Affligem niet
op Meldert maer Hekelgem

De titel is duidelijk van jongere datum dan het document zelf dat uit 3 pagina’s bestaat. Het bevat de mening van een aantal Hekelgemnaren uit het begin van de 17de eeuw over de ligging van de abdij en de auteur heeft hun opinie op papier gezet en gestaafd met tal van argumenten. Niet alles is nog leesbaar, door een plooi in het midden van het blad zijn er wat letters verdwenen maar dat schaadt de betekenis van het geheel niet. Uit de tekst spreekt dezelfde fierheid over en verbondenheid met de abdij Affligem. De Hekelgemnaren wilden aantonen dat de abdij volledig bij Hekelgem hoort. Was hun houding een reactie op de overtuiging van de Meldertenaren dat de abdij op Melderts grondgebied lag?

Fragment van de 2de p. Item dat de wettelycke banck van Affligem hier vootijts heeft gestaen bij den kerckmuren van hekelgem t welck naer de gemeyne opinie niet en soude geschiet hebben hekelgem geen Affligem geweest maer soude bequamelycken komen staen tot Nuvel als naer tscheen en gereieffelycker plaetse hadde Meldert Affligem geweest en nu wederom staet op hekelgem ter plaetse daer sy recht voor den troubelen hadde gestaen en was getransporteert ter plaetse nu staende en het groot ongerief te weten dat registers int clooster lagen en de bancken te ver stont om die over en weder te draghen gelijck Athon Verhoeven timmerman in sijn tijde van het clooster geweest en nu over twee oft dry iaren overleden seer dickwels soo aenden pastoor van hekelgem daer om en meer anderen heeft getuycht.

en nu wederom staet op hekelgem ter plaetse daer sy recht voor den troubelen hadde gestaen en was getransporteert ter plaetse nu staende en het groot ongerief te weten dat registers int clooster lagen en de bancken te ver stont om die over en weder te draghen gelijck Athon Verhoeven timmerman in sijn tijde van het clooster geweest en nu over twee oft dry iaren overleden seer dickwels soo aenden pastoor van hekelgem daer om en meer anderen heeft getuycht.

De oorzaak van dit dispuut ligt waarschijnlijk in de onduidelijke grensafbakening tussen Meldert en Hekelgem op het domein van de abdij en dat heeft te maken met het feit dat Affligem tot in de 13de eeuw zelf een parochie was. Historisch-geografisch vormde het gebied rond de abdij een gesloten complex, over zijn gehele lengte in twee gedeeld door de Langestraat, een oude weg die vanuit Aalst over Affligem naar Doment en zo via Asbeek naar Asse loopt. Deze straat zou een van de oudste verkeerswegen van het gewest kunnen zijn (2). Aan de Voorpoort van de abdij was er een dorpsdries en tot aan de fusie van de gemeenten in 1976 bestond er zelfs een Dorpsstraat (nu een deel van de Langestraat). Misschien was bij de mensen van Meldert die overtuiging gegroeid door enkele feiten die zich in de loop van de geschiedenis hebben voorgedaan.

In 1189 had bisschop Rogerus van Kamerijk het altaar van Meldert aan de abdij geschonken en tegelijk beslist dat de Meldertse Sint-Walburgakerk als parochiekerk van Affligem zou fungeren. Zo wou hij vermijden dat de monniken verstoord werden door de aanwezigheid van vrouwen in de kerk (3). De vraag blijft of dat wel in de praktijk gerealiseerd werd daar er nog in 1320 sprake is van de parochie Affligem (4).
Waarom Affligem onder Meldert kwam, is volgens J. Verbesselt een gevolg van het vroeger aaneengesloten Ascherholt dat omheen het dorp van Meldert tot aan de Langestraat kwam (5). Een tweede belangrijk feit is dat Hendrik IV, de 22ste abt, in de Meldertse parochiekerk werd begraven. Hij was de zoon van Jan II, heer van Asse en Beatrix ’t Serclaes, en had aan de universiteit van Keulen gestudeerd. Als abt van Affligem vanaf 1426 liet hij zich graag door edelen omringen. Daar hij zijn bestuur verwaarloosde, klaagden de monniken hem aan bij de bisschop van Kamerijk. Hendrik IV nam in 1457 ontslag en vestigde zich met enkele dienaren op het Hof te Meldert, voorzien van een meer dan behoorlijke jaarlijkse toelage van 400 kronen. Hij overleed op 28 december 1474 en kreeg een graf voor het altaar van O.-L.-Vrouw in de parochiekerk (6).

Voor zijn dood had hij nog een eeuwigdurend jaargetijde op zaterdag gesticht waarvoor de pastoor 1 g 10 st ontving. Hij zou ook de stichter zijn van het lof ter ere van de H. Maagd dat eerst op zaterdag en in de loop van de 17de eeuw op zondag na de hoogmis werd gezongen. Zijn verblijf in Meldert zal zeker nog lange tijd onder de mensen bekend gebleven zijn. Een laatste gegeven is dat de pastoor van Meldert ook bevoegd was voor Doment, een aan Affligem grenzend gehucht gelegen op Essene, Hekelgem en Meldert. Hij mocht er de tienden innen maar moest de zieken bezoeken (7). Dat alles maakt dat het best mogelijk was dat velen dachten – terecht zoals nog zal blijken - dat de abdij op Melderts grondgebied lag en daartegen wil onze onbekende auteur reageren. Zijn tekst is geen wetenschappelijke studie, wel de weergave van wat een aantal mensen constateerden, dachten en vooral wensten.  De originele tekst is grotendeels in hertaling cursief weergegeven maar af en toe zijn een aantal woorden in de oorspronkelijke taal behouden.

* In den iersten beweert Adriaan Rampelbergh te weten dat al de knechten van de abdij in Hekelgem te biechten gingen en er hun pasen hielden. Meer zelfs de pastoor van Hekelgem ging soms naar de abdij om de knechten de biecht te horen als zij door veel wercken qualick uit costen.  Adriaan was brouwer en pachter van Hekelgem en voorheen bakker in de abdij. Hij was er waarschijnlijk in 1564 in  dienst getreden. In 1570 bedroeg zijn jaarloon 23 fl. De bakkerij stond in het dal en vormde met de brouwerij een geheel. Net zoals de meeste andere knechten moest de bakker in zijn werkplaats slapen. Adriaan was de gids voor globetrotter Adriaan van Marselaer ( 1539 – 1617, oud-schepen van Antwerpen en dichter)  toen die de ruïnes van de abdij bezocht. Over bakker Rampelbergh schrijft hij: “Adelheijm (= Affligem) hebbe ick gesien den 12, 13 en 14 meye 1597 ende is my gewesen ende bediedt bij Adriaen Rampelberch die XVI jaeren aldaer der aelmoesen proeven backer , synder tweeder, hadde geweest.” (8) In 1590, 1591, 1599, 1600 en 1601 was hij ook kerkmeester. Daar hij over de knechten in de verleden tijd spreekt, kunnen we de tekst situeren in de periode tussen 1580 en 1605 toen de monniken na de brand van de abdij op de dool waren. 

* Het gebeurde ook dat de bisschop en abt de Croy toen hij met de hoogdagen in de abdij was, zijn knechten naar Hekelgem zond om te biechten. De abdij kende twee abten de Croy. Willem, was van 1518 tot 1521 de 25ste abt. Hij was in 1498 geboren als zoon van Hendrik, graaf van Porcéan en heer van Croy en zou een speelkameraad van keizer Karel zijn geweest. Op 10 november 1512 werd hij door paus Julius II benoemd tot abt-coadjutor van Affligem, op 1 april 1517 tot kardinaal verheven en op 31 december 1517 benoemd tot aartsbisschop van Toledo. Na het overlijden van abt Michiels op 4 november 1518 werd hij diens opvolger. Hij onttrok het beheer van de goederen aan de monniken en stelde lekenfunctionarissen aan. De communiteit moest het stellen met een maandelijkse toelage van 200 fl. Abt Willem bezweek op 6 januari 1521 aan zijn verwondingen opgelopen bij een val van zijn paard tijdens een jachtpartij. Na een tussenkomst van keizer Karel bij paus Leo X verkreeg in februari 1521 de jongere broer Karel de abdij. Hij was gedurende 43 jaar abt van Affligem en onze auteur heeft het zeker over hem. Karel bekwam ook nog het bisdom Doornik in 1525 en de abdijen van Hautmont in 1525 en Saint-Ghislain in 1529. Daar hij niet zinnens was om – als hij eens in Affligem was – in de abdij te logeren, liet hij te Meldert een kasteel bouwen dat op de dag van de inhuldiging afbrandde. Ter vervanging liet hij het kasteel van Moorsel bouwen waar hij vaak verbleef. Vanaf 1550 was hij meestal in de abdij van Saint-Ghislain. Hij nam ook deel aan het concilie van Trente. Karel de Croy stierf op 11 december 1564 (9).

* Michiel De Baetselier, gewezen schepen van Affligem en nu te Aalst wonende, getuigt eveneens dat de knechten van de abdij in Hekelgem hun pasen hielden. Melchior Schiethaese van Meldert, gewezen dienaar van de abdij en nu preter van het Godshuis en Michiel Brijssens van Hekelgem, eveneens een gewezen dienaar en “wasscher” van de abdij en nog anderen verklaren dat. Michiel Brijsens overleed te Hekelgem op 21 maart 1626.

* Onze tekstschrijver is zo eerlijk ook de tegenpartij aan het woord te laten. Jan De Coster werd in 1561 aangesteld als pastoor van Meldert. Hij was waarschijnlijk een goede priester want in 1574 verkreeg hij zijn aanstelling tot landdeken van het district Aalst. Hij zou in 1578 gestorven zijn (10). Deze Jan De Coster heeft geattesteert dat hij van sommige dienaren de biecht heeft gehoord en ook van de smet die sijn huyvrouwe ent kinderen binnen meldert hebben huyshouwende, van de kleermaker en mogelijks ook van anderen. Onze tekstschrijver voegt er wel onmiddellijk aan toe: alsoo warender van ghelijcken op hekelgem. Jan De Coster getuigt nog dat hij  vele jaren met Pasen het H.Oliesel naar het klooster heeft gebracht. Dat kan gebeurd zijn als pastoor of als landdeken en dat hij het H.Oliesel voor anderen ( de pastoor van Hekelgem?) meebracht daar zij niet ver van elkaar woonden. Niet dat de ene de zalving voor de andere deed maar wel dat den eenen voor den anderen de vaetkens tot den deken mede draghen. Het gebeurt heden nog dat een pastoor het H. Oliesel voor een andere  of voor kloosters meebrengt.

* Dezelfde getuigen verklaren dat al de knechten van de abdij kermis vierden op de attentie dagh van Sint-Michiels (de patroonheilige van Hekelgem) en niet op die van Sint-Walburga. De parochie van Hekelgem wordt zowel te Brussel als te Aalst genoemd affligem aen hekelgem en van Meldert wordt dat niet gezegd. 

* Verder is het kennelijk genoeg geweten in Meldert en in Hekelgem dat in deze troebele tijd als er soldaten kwamen wiens patenten luyden op affligem dat die van Meldert niet wilden foerieren, zeggende wij zijn geen affligem gaet naer hekelgem en die van Hekelgem hebben dat meerdere keren moeten aanvaarden.  Net zoals Hekelgem en de abdij had Meldert wel degelijk te lijden van de beroerten in de tweede helft van de 16de eeuw. Op 29 september 1579 teisterde Olivier van den Tympel met zijn Zwart Vendel het dorp en op 16 juli 1580 brandden troepen van Willem van Oranje een deel van het dorp af met onder meer de kerk en de pastorie (11). Van 1 juni 1580 tot april 1582 betaalde het dorp maandelijks 12 pond  voor het onderhoud van het spaans garnizoen te Aalst (12). 

* De wettelycke banck van Affligem heeft eertijds gestaan bij de kerkmuur van Hekelgem, wat naar de algemene mening niet zou gebeurd zijn als Hekelgem geen Affligem was. Indien Meldert Affligem was geweest dan zou de bank bequamelijken op Nievel gestaan hebben, wat een gerieflyken plaets is. Zij staat nu weer op Hekelgem ter plaetse daer sy recht voor den troubelen hadde gestaenen en was getransporteert ter plaetse nu staende. Dat bracht groot ongerief omdat de registers in het klooster lagen en de bank te ver stond om die over en weer te dragen. Dat getuigde Anthon Verhoeven die nu al 2 à 3 jaar overleden is en voorheen timmerman in het klooster was. De wettelycke banck is de schepenbank die waarschijnlijk in de burcht van Hekelgem vergaderde en na de verwoesting tijdens de godsdienstoorlogen in het afhankelijke Hof ter Saele (13). Volgens W. Verleyen hield de schepenbank zitting in de Voorpoort, dat was de eerste abdijpoort aan het begin van de huidige Abdijstraat. Na de brand van de abdij lag het poortgebouw van 1580 tot 1609 in puin en dan gingen de vergaderingen door in het Hof ter Saele zoals onze schrijver beweert (14). De schepenbank dateerde van 1215. Ze had zowel een bestuurlijke als een rechterlijke functie. Ze velde vonnissen in civiele en criminele zaken, sloot en registreerde overeenkomsten. Aan het hoofd stond de meier als vertegenwoordiger van de abdij. De meierij omvatte heel de heerlijkheid Asse (15). Anthon Verhoeven overleed te Hekelgem op 8 september 1610 bijgevolg zou de tekst in 1612 of 1613 geschreven zijn.

* Wat van ouds costume was en wat de schepenen nog doen, is namelijk in brieven schrijven: “Dit goed is gelegen in de parochie van Hekelgem-Affligem.” Dat is nooit het geval met Meldert hoe dicht het ook bij het klooster ligt.

* Voorts ligt de principaelen inganck van ’t clooster op Hekelgem en al de aalmoezen worden op het grondgebied van Hekelgem gegeven. In de 16de eeuw bezorgde de abdij aan de armen die aan de Voorpoort kwamen vanaf het feest van Sint-Maarten op 11 november tot Witte Donderdag dagelijks een halve aam (ca 75 l) soep uit, 100 mud (mud = 1 hl) rogge en ca 15 vaten haring. Na 1578 daalde de liefdadigheid door de slechte financiële toestand van de abdij (16).  

 * Niettegenstaande al deze argumenten zijn er nog mensen die van een deel van de Voorpoort Melderts grondgebied willen maken. Hendrik Van den Houte, inwoner en ouderling van Hekelgem beweert dat hij de cowir (= cohier) van Hekelgem, gemaakt door Peter Van Langenhove, meier van Affligem en inwoner van Meldert,  heeft horen lezen waarin al de eigendommen van de abdij in Hekelgem gelegen vermeld zijn. Daarin staat dat al de muren van het klooster op Hekelgem gelegen zijn.Hendrik Van den Houte overleed te Hekelgem op 27 juni 1622. 

* Volgens Jan Van de Wijngaerde die zelf nog gediend heeft en de huisvrouw van Joos Van H…ijden ligt alleen het ziekenhuis in Meldert. Peter Van Langenhove was meier in 1561 en 1574 (17). Het oude ziekenhuis lag ten oosten van de kapittelzaal ( zie nr 10 op bijgevoegde figuratieve kaart). Na de verwoesting van de abdij in 1580 diende vanaf 1612 het huis van bosmeester F. Lemmens als ziekenkwartier. Het stond eveneens achter de kapittelzaal (18).

* Het volgend argument is nogal onduidelijk geformuleerd en enkele onleesbare woorden verhinderen een goed begrip. De stelling komt hier op neer dat als mensen van Hekelgem bezittingen hadden in Essene zij dat bezit beschouwden als Hekelgems gebied en omgekeerd ook zo voor inwoners uit Essene met goederen in Hekelgem. Daar het klooster goederen heeft in Essene en die in de hondertste penninck boeck als van Hekelgem genoteerd staan, volgt daaruit dat het klooster op Hekelgem ligt: … alsoo al hadde di van hekelgem eenich goet tot esschen sy en gaeven daer aff tot Esschen maer tot hekelgem, oft van gelycken hadden die van Esschen goet tot hekelgem sy en gaven dear aff niet tot hekelgem maer tot Esschen. Oft in de hondertste penninck boeck werden overgegeven alle de goeden der prochie, onder alle staet in de hondertste penninck van hekelgem somige bunder mersch oft weide gelegen binnen esschen en dat die vant clooster worden gehouden dwelck niet en soude geschiet sijn stont clooster op hekelgem niet.

* De betekenis van het laatste argument ontgaat mij totaal: Item staet in den ouden francijn boecken van kercke h geest cure en capelryen goeden van hekelgem gemaeckt by den (onleesbaar) hondert jaeren door bevel vanden bisschop van Camerijck, dit artikel den pastoor en mag niet erven etc… Dwelck privilegie sij schijnen te hebben om dat t clooster op hekelgem staet. Daar is (later?) aan toegevoegd: sunt domin… ibi… inveniet.

Onderaan de bladzijde staat in een ander handschrift een toelichting bij de vorige alinea: Dat den pastoor van synder weghen alsoo oock van weghe de kercke en h geest van hekelgem niet en vermagh erven ofte onterven sonder consent van kerckmeesters oft h geestmeesters ende alsoo is schuldigh de banck van Affligem te dienen (onleesbaar) salaris der aff te verwachten welck privilegie schijnt gegeven te sijn aen die prochie van hekelgem mits Affligem van hekelgem es.

Opvallend is dat in de tekst nergens sprake is van abdij, altijd wordt het woord klooster gebruikt. Volgens dom W. Verleyen had abdije toen alleen betrekking op het abtskwartier, een sierlijk gebouw met trapgevel en siertorentje uit de 15de eeuw (19). Zie nr. 4 op de tekening van J. D. Deken.

Onze tekstschrijver zal het wel niet meer meegemaakt hebben, maar in 1686 kreeg hij gelijk en dan nog wel van officiële zijde. Het algemeen kadaster van Brabant van dat jaar vermeldt voor Hekelgem:  Het clooster van Afflighem is groot 18 bunderen en sijn begrijp t’ sjaers geweert tot 270 gulden. Item het corpus van t’ clooster 60 gulden,. Onder Meldert wordt er van het klooster geen gewag gemaakt. Maar aan de discussie over de juiste ligging van de abdij kwam daarmee nog geen einde.

De scheydinghe tussen Hekelgem en Meldert

Op 23 december 1727 legde landmeter J. D. Deken met zijn opmetingen  de grens tussen Hekelgem en Meldert vast. De bedesetters van Hekelgem, Peter Verleysen, Jan Sas en Thomas Verleysen waren daarbij aanwezig. In het “Caertenboek van Meldert” geeft de vierde kaart de grens weer tussen de twee gemeenten op het domein van de abdij. Die kaart prijkt op de voorkaft  van het “Kaartboek van de Abdij Affligem 1717 – 1756 (20) en voor veel mensen was het een complete verrassing vast te stellen dat de meeste abdijgebouwen met 11 b 2 d 77 r van de 22 b die de abdij binnen haar muren en grachten bezat, op Melderts grondgebied lagen (21). Dat zijn de kloostergebouwen, de kerk, de Benedictuspoort, de Bospoort en de stallingen, op Hekelgem lagen de Voorpoort, de Koningspoort, het Vrouwenhuis, de molen, het washuis en de St.-Magdalenakapel.  J.D. Deken beschrijft de grens als volgt (22):

Item op den 23en dito gedaen de limietscheydinghe teghens die prochie van Ekelgem, beginnende van aen de Broeckstraete, de straete in tot op den hoek van den Rochtink (23), scheydende door denselven Rochtink tussen het vrouwen huys ende de Clooster Kercke, van daer scheydende linea recta door den cam (24) ende camgracht tot teghens den vijver naest de Dreve (25), van daer deselve Dreve in tot aen eenen grooten hustberm.

De tekening is onvolledig: de oude rekenkamer en het bureau van de keldermeester, de vertrekken voor de knechten, het ziekenhuis met de bibliotheek ontbreken. Ook de kapel van de catechismus, de Magdalenakapel, de wasserij en de Voorpoort die op Hekelgems grondgebied lagen ontbreken

Caertenboek van Meldert 1727: grens tussen Hekelgem (rechts) en Meldert. Landmeter J. D. Deken heeft een aparte kijk op de abdij. De andere bekende gravures uit de 17de en 18de eeuw geven een vogelperspectief vanuit het het westen of het zuidwesten, met deze tekening kijken we vanuit het noordwesten naar de abdijgebouwen:

1) de Bospoort,
2) de boerderijgebouwen,
3) de Groenpoort,
4) het gewezen abtskwartier, toen gastenkwartier,
5) de Benedictuspoort,
6) de oude refter met de erker in de noordelijke zijde waarin de lector tijdens de maaltijden plaatsnam,
7) het Domus Regia van koning Hendrik I van Engeland (12de eeuw), later spijker
8) de tweede abdijkerk,
9) de nieuwe refter,
10) de kapittelzaal,
11) de Koningspoort met het Vrouwenhuis, 12) de windmolen,
13) de brouwerij,
14) de ast,
15) de bakkerij.

De nieuwe grens: fixe et invariable 

Het Frans bestuur schafte  op 1 oktober 1795 de oude grenzen af en richtte departementen op. De scheiding tussen Hekelgem en Meldert, tot dan samen een deel van het hertogdom Brabant, werd nu een departementale grens want Hekelgem behoorde tot het departement van de Dijle, Meldert tot dat van de Schelde.  Pas in 1807 waren de landmeters klaar met hun opmetingen en toen bleek dat de grens die voorheen door het abdijdomein liep, opgeschoven was naar de  huidige Nievelstraat en Aalsterse Dreef  waardoor de vroegere abdijgebouwen met de omliggende gronden volledig in Hekelgem kwamen te liggen.  

Het gemeentebestuur van Meldert legde zich niet goedschiks neer bij het verlies van zoveel gronden en, aanvankelijk gesteund door de prefect van het departement van de Schelde, verzamelde het tal van argumenten om zijn “rechtmatige” aanspraken op het betwiste gebied kracht bij te zetten. Het bestuur van Hekelgem wou natuurlijk het pas verworven deel behouden door aan te tonen dat het altijd al Hekelgems bezit was! De acties van beide gemeenten resulteerden in een omvangrijke correspondentie met de prefecten van Brussel en Gent, de inspecteurs descontributions directs en lesgéomètres en chef als voornaamste betrokken partijen.  Dank zij dr. Jaak Ockeley, die mij wees op het bestaan van die documenten in het Algemeen Rijksarchief te Brussel, kon ik dit artikel met de elementen van dat dossier aanvullen. 

Het gemeentebestuur van Meldert wees de overheid erop dat het 17 ha van zijn grondgebied verloor waaronder de Rochtinck, een zeer vruchtbaar landbouwgebied. Andere argumenten van Meldert waren:
- De figuratieve kaart van J. D. Deken (1727) die was opgesteld volgens het octrooi van de Keizerlijke Raad van Karel VI van 10 september 1725 en in aanwezigheid van de Hekelgemse bedesetters toonde duidelijk aan waar de scheiding tussen de twee gemeenten lag. Die oude grens had een rayon visuel : van de Domentstraat een rechte lijn langsheen een abdijmuur en de kerk en vandaar een rechte lijn naar het punt waar de Weimeersbeek de Aalsterse Dreef kruist. Dat was in 1727 zo en ook nog in 1809 omdat de buitenmuren van de kerk er nog stonden (26).  

- In 1783, 1784, 1795 en 1796 betaalde Meldert volgens Josse de Vis, Jan Verspecht en Benoit Vandemaele de grondbelasting van het betwiste gebied behalve voor de Rochtinck waarvoor er een vrijstelling was.  

- De Rochtinck was voorheen een weide waar de paarden, schapen en koeien van Meldert graasden. Er rees daarover een dispuut tussen de markies van Asse en de abdij. Op 18 maart 1664 ondertekenden ze een akkoord. (27) Als teken van protest en om zijn aanspraken kracht bij te zetten ging de burgemeester van Meldert in 1809 op de Rochtinck graan zaaien. 

- De abdij was op 23 december 1796 verkocht door de administratie van het departement van de Dijle terwijl die opdracht aan het departement van de Schelde toekwam. Die vergissing was te wijten aan de nalatigheid van de Meldertse burgemeester. 

- Hekelgem en Meldert vielen onder de jurisdictie van de heren van Asse en hadden geen bevoegdheid over de abdij. De pastoor van Hekelgem bezat in tegenstelling tot wat hij beweerde, geen enkele rechtsmacht over de abdij, terwijl de pastoor van Meldert had het recht de tiende te innen op een gedeelte van het betwiste gebied. 

- Een vroegere abt van de abdij woonde in Meldert en ligt er begraven. 

- Ter gelegenheid van jubileums bezochten de monniken de parochiekerk van Meldert en niet die van Hekelgem. 

- De prefect van Gent en de onderprefect van Dendermonde steunden de eisen van Meldert in hun respectieve rapporten van 1 september 1808 en van 26 november 1808. 

Natuurlijk zorgde het Hekelgems gemeentebestuur onder leiding van de sluwe burgemeester Zacharias De Wever voor de nodige tegenargumenten ook al moest daarbij de waarheid wat geweld aangedaan worden (28): 

- Hekelgem betaalde van oudsher de contributies van de gronden en de gebouwen van de abdij zonder dat Meldert daar opmerkingen over had. 

- De abdij en de gronden zijn verkocht door de administratie van het departement van de Dijle omdat ze op Hekelgems grondgebied lagen.  

- Hekelgem heeft altijd in het betwiste gebied de tijdelijke en geestelijke jurisdictie uitgeoefend. 

- Iedereen weet dat de twee straten altijd al de grens vormden tussen de twee gemeenten. 

- De Meldertse kaart van 1727 is niet authentiek daar de Broekstraat, de nuvestraat et la drève D’alost altijd al de grens vormden. De Rochtinck, net zoals de andere gronden en gebouwen van de abdij, is nooit anders dan Hekelgems grondgebied geweest. 

- De abt die in Meldert begraven ligt was uit zijn functie ontzet en kon dus gaan wonen waar hij wou. 

Met het keizerlijk decreet van 19 mei 1811 lagen de grenzen definitief vast. Het verzet van Meldert was van bij de aanvang tevergeefs geweest daar de landmeters stelden dat de oude grens inadmissible was bevonden omdat hij door een gebouw liep terwijl de nieuwe grens naturelle, fixe et invariable was daar hij door het midden van de straten was getrokken. Toch vermeldde het kadastraal plan van 1816 nog section D dite d’affligem (29). 

Popp-kaart 1860 met aanduiding van het Bisschoppenhuis en de Benedictuspoort (zie pijl), de Rochtinck en de nieuwe grens Hekelgem – Meldert.

Het puin van de abdij 

Waarom hebben de gemeentebesturen van Hekelgem en Meldert jarenlang geruzied over de grensverandering? Vermoedelijk omwille van het gezichtsverlies en om de 17 ha maar vooral omwille van het puin van de abdij. Op 23 december 1796 had te Brussel de openbare verkoop van de abdijgebouwen en omliggende landerijen plaats gehad (30) en in 1797 was de sloop van het enorme gebouwencomplex begonnen. Maar er stond nog veel overeind zoals onder meer blijkt uit een gekleurde pentekening van 1814 (31) en de afbraak leverde heel wat puin op dat kon gebruikt worden om de wegen te verharden. Begin 19de eeuw waren er in Hekelgem twee gekasseide wegen, nl. de rijksweg Brussel – Aalst in 1704 verhard en de Nieuwe Kassei, een dreef vanaf de Voorpoort van de abdij naar de rijksweg in 1758 – 1759 door de abdij aangelegd. Wanneer in de loop van de 19de eeuw de meeste gemeenten hun wegen lieten kasseien, maakte Hekelgem geen aanstalten om met kasseiwerken te beginnen. Zelfs nog in 1838 laat het gemeentebestuur de provinciale overheid weten dat les chemins vicinaux de cette commune sont en très bon état, étant practicables en toute saison, ce qui doit être attribué à la faculté qu’ a cette commune de faire chercher des décombres de l’ ancienne abbaye d’Affligem, pour être employeés à l’amélioration des chemins, qui par ce moyen sont presque totalement empierrés (32).

Hekelgem heeft tot 1841 zijn wegen kosteloos in goede staat kunnen houden want tot 1842 waren de inwoners verplicht karweidiensten te verrichten (33). Zo moest pachter Gillis Plas zich op 9 mei 1840 te 5 u. ’s morgens in ’t klooster aanmelden voor 16 mans daghuren of 2 1/2 dagen met peerden om puin op te halen (34). Keek men in Meldert met afgunst toe hoe de Hekelgemnaars met “hun” puin de wegen verhardden? Het vroegere abdijdomein lag nu wel definitief in Hekelgem - noch onder het Hollands bewind noch onder Belgisch bestuur veranderde er iets aan de grens - toch was dat voor de Meldertenaars geen reden om al dat puin aan anderen over te laten. Dat blijkt uit  twee briefjes die gevonden werden tussen de familiepapieren van het molenaarsgeslacht De Vis (35). In 1828 gaf burgemeester Van Voochte aan Jan Baptiste De Vis meerdere malen de opdracht aan de gewezen abdij stenen te gaan halen. Op 30 mei schrijft hij: Sieur Joan Bte De Vis word bij dezen verzocht morgen zaterdag 31n dezer met wagen te doen den Corvé naar de abdije van affligem, ende aldaer te laden arduyne steenen voor gronden voor den Kalseye aan baetens te gebruiken tot twee voeders, den veldwaghter zal zorgen voor daar twee mannen te zenden voor te laden. Op de keerzijde heeft Jan Baptiste (?) genoteerd: affligem den 10 Juny 1828 alnoch gehaelt 2 Voeren met 3 peerden ardeuyn voor den Cassyde. 24 Juny alnoch een Voer met 3 peerden. Op 26 juni krijgt J.B. De Vis nog een  briefje met de laatste opdracht om de volgende dag om 4 u. in de morgen met een wagen bespannen met twee paarden steen te halen aan de abdij om de straat te maken aan Andries De Meester. Net zoals Hekelgem kon Meldert dank zij het Affligems puin zijn wegen verharden en het was pas in de jaren vijftig dat het gemeentebestuur de eerste wegen liet kasseien. Van de kloostergebouwen bleven uiteindelijk alleen het Bisschoppenhuis, de Benedictuspoort en de wasserij over.  

Op zoek naar een kerkhof voor de monniken 

In 1870 herstelden 10 monniken vanuit Dendermonde het kloosterleven in Affligem. Zij vestigden zich in het Bisschoppenhuis. Toen datzelfde jaar dom Benedictus Van den Brulle stierf en in Affligem wou begraven worden, stelde zich het probleem van de begraafplaats. Het oude abdijkerkhof was nu een akker. Zich beroepend op het decreet van 23 Prairial an XII vroegen  de monniken aan de burgemeester van Hekelgem om hun medebroeder te begraven voor het Bisschoppenhuis waarvan het gelijkvloers als kapel dienst deed (36). In 1871 werden er nog twee monniken begraven. In 1881 werd de westkant van het Bisschoppenhuis de hoofdingang met het gevolg dat de voortuin niet meer als kerkhof kon dienen. Even dachten de monniken aan een concessie op het kerkhof van Hekelgem, dan vatten ze het plan op van een hulpkerkhof, eerst in Affligem (1889) en daarna in Meldert (37). Op 26 mei 1891 keurde de gemeenteraad van Meldert het verzoek van 38 monniken goed om hen een begraafplaats te vergunnen rond de St.-Rochuskapel op Nievel nabij de abdij (38). Het kerkhof kwam er niet, waarschijnlijk wegens een weigering van de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen. Toen dom Anschasius Kortstegge op 27 juni 1891 overleed, werd hij op het kerkhof van Meldert begraven (39). Daarna vonden bijna 40 jaar lang de monniken in de zuidwestelijke hoek van dat kerkhof hun laatste rustplaats. Toen de abdij omstreeks 1930 weer over een eigen kerkhof beschikte, liet de abt de stoffelijke overschotten naar hun nieuw kerkhof overbrengen. Zo kwam er weer een einde aan Affligem op Meldert. Wordt vervolgd? 

Met dank aan Flor De Smedt voor de hulp bij het ontcijferen van enkele moeilijke alinea’s.

 Voetnoten 

1) Archief Frans Moortgat d22 m1. Frans Moortgat, + 2006, koster van Hekelgem en heemkundige, verzamelde jaren lang alles wat over Hekelgem verscheen. Zijn archief bevindt zich in het Archief en Documentatiecentrum van de Heemkundige Kring Belledaal in het Cultureel Centrum Abdij Affligem.

2) J. VERBESSELT, Het Parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, dl V, Pittem, 1966, p. 111.

3) W. VERLEYEN, Meldert,Geschiedkundige verhandeling met inventarisatie van zijn straten en gebouwen, Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis,1980, p. 127.

4)  Ibidem, p. 128.

5) J. VERBESSELT, o.c., p. 167.

6) W.VERLEYEN, Negen Eeuwen Affligem 1083 – 1983, Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis,1983, p. 31 – 32.

7) J. VERBESSELT, o.c., p. 170.

8) W.VERLEYEN, Een bezoek aan de Abdij Affligem in 1597 Plan van de ruïnes, in: Eigen Schoon en De Brabander, jg. LXXXVI, p.274.

9) W. VERLEYEN, Negen Eeuwen Affligem, p. 35 – 36.

10) IDEM, Meldert, p. 178.

11) J. OCKELEY,Meldert – Kerkelijke toestanden van de tweede helft van de 16de eeuw tot het einde van de 18de eeuw, in: Ascania, dl. XII, 1969, p. 98 – 99.

12) W.VERLEYEN, Meldert,p. 36.

13) H. ROSELETH, Middeleeuwse kastelen in Hekelgem, in: Eigen Schoon en De Brabander, 1928, p. 228.

14) W. VERLEYEN, Het leenhof van Affligem, in: Recht in geschiedenis. Een bundel bijdragen over rechtsgeschiedenis van de Middeleeuwen tot de Hedendaagse Tijd, Leuven, 2006, p. 469 – 470.

15) IDEM, Registratie van een erfelijke rente te Meldert door de schepenbank van de abdij Affligem (1768), in: De Faluintjes, jg 18, p. 80 – 81.

16) IDEM, Negen Eeuwen Affligem,p. 232.

17) IDEM, Het leenhof, p. 472.

18) IDEM, De Abdijgebouwen van Affligem 1083 – 1796, in: Ascaniabibliotheek, nr. 31, 1973, p. 65 – 66.

19) W.VERLEYEN, De Abdijgebouwen, p. 57.

20) J. OCKELEY, Kaartboek van de Abdij Affligem 1717 – 1756, Algemeen Rijksarchief Brussel, 2003. Het boek bevat 254 kleurkaarten met begeleidende teksten en registers van persoons-, plaats- en zakennamen.

21) IDEM, Het kloosterdomein in de 18de en 19de eeuw, in:Ascania, jg 14, 1971, p. 33.

22) C.COPPENS, Grenzen van Meldert, in: Het Land van Aalst,XVII, 1966, p. 39.

23) Rochtink: de grote boomgaard van de abdij geheten de rochtink.

24) Cam: de brouwerij aan de Kamgracht.

25) Dreve: de Aalsterse Dreef.

26) Na de opheffing van de abdij in 1796 was de sloop het jaar daarop begonnen.

27) Misschien had het conflict te maken met de wijzigingen die proost Benedictus Van Haeften in 1643 liet uitvoeren. Hij had een gracht laten dempen en de Rochtinck ingelijfd bij de boomgaard. Langs de publieke weg had hij een wal laten aanleggen. Inwoners van Meldert hadden zich verzet tegen het verleggen van de weg tussen de Rochtinck en de boomgaard. W.VERLEYEN, De Abdijgebouwen, p. 80. Hadden zij een beroep gedaan op de heer van Asse?

 

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com