home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Van Melkerij tot Cultureel CentrumToerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Een Kluiskapel legende

Door Ben Vermoesen

 

Wie over de Kluiskapel spreekt, vermeldt steevast twee Affligemse monniken. Radulfus, bijgenaamd de Zwijger, had al 16 jaar niet meer gesproken toen hij een brand in de abdijgebouwen bedwong met de woorden Vuur sta stil. Hij zou in de Kluiskapel begraven zijn en volgens de overlevering gebeurden er heel wat mirakelen op zijn graf. Het verhaal over de tweede Affligemse pater is nog verbazingwekkender. Dom Hildebrand – ook wel eens dom Felix genoemd – door het Kluisbos lopend, mediteerde over het psalmvers Want duizend jaar zijn in uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is. Plots hoorde hij een vogel zo lieflijk zingen dat hij, alles en iedereen vergetend, bleef luisteren. Wanneer hij eindelijk naar zijn klooster terugkeerde, herkende hij niemand meer. Hij was vele jaren weggebleven. Beide legenden zijn prachtig uitgebeeld op de glasramen van de kapel. Maar over de brave dom Bertulf wordt niet gesproken en zijn verhaal is nochtans de moeite waard. Het verscheen al eens in De Mariagroet (1949, nr. 1) en wordt hier naverteld.

 

Honderden jaren geleden was heel de streek nog overdekt met bossen. Niet de bosjes zoals wij die kennen, die maar een voorschoot groot zijn en waar je lossendoor kunt kijken. Je kon er uren en uren in rondlopen zonder een mens tegen te komen. Maar het was er niet erg pluis. Mannen die wat mispeuterd hadden en niet graag met het gerecht in aanraking kwamen, zochten hun toevlucht in de bossen. Die mannen pakten wat ze krijgen konden.

 

De bossen van Affligem hadden bij de mensen geen goede naam en als het enigszins kon, vermeden ze er te komen. Volgens hen spookte het daar. ‘s Avonds rond de haard, de deur goed gesloten, durfden de boeren erover klappen, maar altijd voorzichtig, men kan nooit weten. In het donker gebeuren zoveel zaken waarmee een christenmens geen uitstaans wil hebben en voor de macht van het kwade was men bevreesd. Midden in het bos waren er poelen en plassen en daar huisde het kwaad. Je kon daar, als je alleen was in die doodse stilte, plotseling zo’n schaterlach horen dat je koud werd tot in het merg van je gebeente. In de winterse nachten sloop de weerwolf er rond en wee de arme sukkelaar die in de bossen verdwaald was. Rond de poelen bouwde geen vogel zijn nest, ook de andere dieren meden de plaats. Alleen padden krioelden er om ter meest.

 

Zo was her daar toen de monniken van Affligem op de heuvel hun klooster bouwden. Die hadden geen schrik. Ze lachten er eens mee als de boeren met serieuze gezichten kwamen vertellen dat ze toch voorzichtig moesten zijn. Al na korte tijd was de abdij tot ver in de omtrek bekend en er kwam veel volk naartoe, groot en klein, rijk en arm, om door de paters geholpen te worden. Het gevolg was dat er van de stilte en de rust in de abdij niet veel meer overbleef, tot spijt van de monniken. Ze wilden de mensen wel blijven helpen, maar ze verlangden van tijd tot tijd naar de eenzaamheid om eens goed te kunnen doorbidden. Daarom riep de abt zijn monniken bij elkaar en vroeg hun naar een plaats te zoeken waar een kapel en enkele hutten konden gebouwd worden om er in alle rust te kunnen bidden. Maar waar vond men een geschikte plaats om de kluizenaarshutten  te bouwen?

 

Nu waren dat allemaal heilige paters, maar zo direct kwamen ze toch niet overeen. Degenen die uit Vlaanderen kwamen, wilden hun kluizen het liefst op de Boekhoutberg want van daar heb je een prachtig zicht op Vlaanderen: de Dendervallei met welvarende dorpen en schone hoeven en aan de einder de donkere bossen. De Brabantse paters echter wilden liever naar het Kravaalbos of naar de Moret. Dat was ook niet ver, schoon gelegen en je had er alleen het gezelschap van vogels en konijnen. Dan waren er nog die naar de Leeuwenheide in de Kempen wilden. Hun heilige voorzaat Sint-Bavo had daar als kluizenaar geleefd. De abt vond dat te ver van huis en na heel wat gediscussieer besloot men de beslissing over te laten aan dom Bertulf, een van de oudste en braafste monniken die ooit in Affligem geleefd hebben.

 

Dom Bertulf was niet meer van de jongste toen hij aan de abdijpoort kwam aankloppen met het verzoek om in de kloostergemeenschap opgenomen te worden. Men wist niet waar hij vandaan kwam en zelf liet hij over zijn verleden nooit iets los. Alleen aan de abt had hij zijn levensgeschiedenis verteld. Hij zou soldaat geweest zijn en om een of andere reden had men hem uit het leger ontslagen en eer men iemand daar buiten stampt moet het wel serieus zijn. In het begin van zijn kloosterleven had hij het moeilijk, zijn handen zaten nogal los aan zijn lijf. Maar hij deed zijn best en met de tijd sleet het ruwe eraf en kwam zijn schone ziel bloot te liggen. Hij was nu een voorbeeld van heiligheid. Oud en versleten in de dienst van God, was hij weinig van zeggen. Maar als hij sprak, was het iets verstandigs. Tijdens de discussie had hij gezwegen en er schijnbaar onverschillig bij gezeten. De abt had hem wel in het oog gehouden want het zou niet de eerste keer zijn dat van zijn kant een oplossing moest komen. Toen er dan aan de discussie geen eind kwam, stelde de abt voor de beslissing aan dom Bertulf over te laten en dit voorstel werd met goedkeurend gemompel begroet.

 

Jullie gaan het te ver zoeken, zei Bertulf met krakende stem. Bouw de kluis hier beneden in het bos bij de poelen. De mensen zullen jullie er met rust laten want ze durven er niet te komen omdat het er spookt. Als het kwaad er huist, dan zal het met onze komst worden verdreven. Waar God gediend wordt, kan de duivel niet wonen. De monniken waren verbluft. Dat ze aan die plaats niet gedacht hadden! Ze waren het snel eens en binnen enkele weken stond de kluis er en werd de kapel gebouwd. Van dan af waren de padden verdwenen en kwamen de vogels er nestelen. Bij de eerste monniken die er naartoe trokken, was ook dom Bertulf. Zo hebben in de loop der tijden daar veel heilige paters geleefd tot de Fransen met hun heiligschennende handen de kluizen hebben vernield. De kapel staat er nog steeds. 

 

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com