home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Van Melkerij tot Cultureel CentrumToerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

Van Melkerij tot Cultureel Centrum

Door Ben Vermoesen

 

Wie nu het Cultureel Centrum Abdij Affligem bezoekt, kan er gerust een hele namiddag vertoeven. Met zijn 6 tentoonstellingszalen, 2 musea, conferentiezaal, winkel en gasthof d’Oude Brouwerij biedt het Centrum voor elk wat wils. Maar dat is niet altijd zo geweest. Het kende met 3 tentoonstellingszalen en een minibar een eerder bescheiden start op 4 juni 1967 toen de plechtige opening plaatsvond. Dat is 40 jaar geleden en deze verjaardag is de gelegenheid om de voorgeschiedenis van het Centrum eens van onder het stof te halen. Slechts weinig mensen weten nog dat in de gebouwen van het Centrum ooit een melkfabriek was gevestigd.

 

De stoommelkerij Pax

In 1897 vatte de abdij het plan op een melkerij op te richten. Daar een zuivelfabriek in de streek totaal onbekend was, begonnen de monniken met een informatiecampagne voor de boeren (1). Op 13 mei 1897 hield E.H. Van der Schueren, directeur van het St.-Maartensinstituut te Aalst, een spreekbeurt over de voordelen van een melkerij voor zo’n 300 boeren. Op 8 oktober 1897 nodigden “pater Victor, bestuurder” en Eug. Van der Burght, secretaris de boeren een tweede maal uit voor een voordracht over inrichting en standregelen der Stoommelkerij  op dinsdag 12 oktober en na afloop konden de boeren zich als lid van de Stoommelkerij Pax inschrijven (2).

 

Ondertussen waren de bouwwerk zaamheden al gestart.  Rechts van de Benedictuspoort kwam een lokaal waar de boeren de melk konden afleveren. Die stroomde dan via ondergrondse buizen langsheen het Bisschoppenhuis naar de melkerij aan de oostzijde van de refter. Die plaats was uit praktische overwegingen gekozen want zo konden de elektriciteit en de verwarming van de stoommachine ook in de abdij worden gebruikt. Dom Petrus Lambrecht fungeerde als bouwmeester voor de metselaars Petrus en Jan Perdaens (van Caboches) uit Hekelgem. Bij de firma Fonderies de fer & cuivre, atelier de construction E. Grégoire-Van Bockstal, Chaussée de Bruxelles, Alost was op 16 augustus al een tweedehandse stoommachine met ketel voor 2 600 fr aangekocht (3).

 

Op 18 januari 1898 was het zover. Na de mis van 6 u ’s morgens, bijgewoond door talrijke boeren, begon het werk in de melkerij. 6 werklieden werkten alle dagen van 5 tot ongeveer 7 u - afhankelijk van de hoeveelheid geleverde melk - aan het afromen en boteren, behalve op zondag, dan werd er niet geboterd. Hun maandloon bedroeg gemiddeld zo’n 140 fr. In 1919 was dat al opgelopen tot gemiddeld 168 fr. (4). Op een formulier bestemd voor de Caisse Patronale staan de volgende namen van mannen die als leergast in de melkerij hebben gewerkt: Jan Baptist Vonck, Camiel Van den Bossche, Romain Verleysen, Joseph Van den Berghe, Jan Van den Bossche, Joseph Van den Bossche en Jan Clocheret (5).  Uit de wijde omgeving, van Aalst tot Zellik, werd dagelijks melk aangevoerd. Voermannen haalden met hun karren of platte wagens bij de boeren de melkkruiken op en voerden ze naar de abdij.  Dominique Schoonjans uit de Langestraat in Hekelgem was zo’n voerman.

 

Na de Eerste Wereldoorlog haalde hij van Erembodegem tot aan de abdij de melk op. Buren lieten hun oudere kinderen de melk zelf brengen met honden- of ezelskar. De melkerij rekende 1 centiem per liter voor de verwerking van de melk, de boeren ontvingen een vergoeding afhankelijk van het vetgehalte. In 1914 telde de Stoommelkerij 600 leden die dagelijks 12 000 liter melk bezorgden. In 1925 verwerkte de melkerij 2 143 928 liter melk. Daarvan verkocht ze 1 049 166 liter gepasteuriseerde melk, 624 789 liter slap en 39 772 kilo boter. Dat was goed voor een inkomen van 1 739 287,85 fr. waarvan de leden 1 557 578,90 fr ontvingen. 3 888,80 fr ging naar het melkvervoer en 55 355,60 fr naar beheer en onderhoud (6).  Grote afnemers waren T. Janssens uit Brussel, A. Wambacq uit Essene en Ph. Vandenbosch uit Asse-ter-Heide.

 

 

De kaasmakerij

Tijdens de oorlog kon dagelijks zo’n 2 000 liter niet tot boter worden verwerkt en men besloot er kaas van te maken. In de loop van 1916 werd de kaasmakerij ingericht. Hipp. Brantegem-De Coninck, Rue du Moulin 58  Alost, plombier, gazier, zinqueur zorgde voor kaasvormen en een gegalvaniseerde bak.  Smid  Hector De Smedt  uit Hekelgem leverde ook een deel van de kaasvormen en twee kuipen kwamen van kuiper Alois Callebaut eveneens uit Hekelgem. De bestuurder kocht nog 196 mandjes voor plattekaas (7).

 

De broeders maakten de kaas en de verkoop vlotte goed daar de Hollandse kaas het land niet binnen mocht. Onder de kopers uit het omliggende vinden we de namen vermeld van  Hortense Joostens, Prosper Baert, Just. Beck en Xav Vermeiren uit Meldert,  Arthur De Corte, Petrus De Greef, Cam. De Witte, W. De Vis, Henri ‘t Kint en het klooster uit Hekelgem, juf Reyntjes uit Moorsel, de koster van Baardegem,  Alfons Wambacq uit Essene, Bosteels, Timmermans, Suys en Claes uit Teralfene. Grote afnemers waren Frans De Ridder uit Hekelgem, de abdij ’t Park uit Leuven, Bosschaerts uit Antwerpen, Leon Verhaeghen en Cie uit Walfergem en Delhaize uit Ossegem.

 

Tot in Namen werd de kaas verkocht. Er waren drie soorten die de niet officiële naam kregen van Camembert, Edam en plattekaas.  De verkoop startte in mei 1916 en bracht dat jaar al een nettowinst op van 17 539,77 fr. Die steeg in 1917 tot 135 979,14 fr, in 1918 tot 195 046,49 fr en daalde in 1919 tot 146 057,72 fr. In oktober van dat jaar maakte de kaasmakerij een laatste winst van 13 782,48 fr.  In november was er een verlies van 9 051,22 fr. De oorlog was gedaan en goedkopere zuivelproducten uit Nederland kwamen ons land weer binnen. In december stopte de kaasmakerij de verkoop (8). 

 

De nieuwe melkerij

Na de oorlog was de zuivelfabriek aan vernieuwing toe. De abdij besloot echter het hele bedrijf te verplaatsen. Eigenlijk ontsierde het gebouw met de hoge schoorsteen de abdij en de bedrijvigheid verstoorde de stilte van het abdijleven. In 1925 begonnen de novicen de kelders van het nieuwe gebouw nabij de boerderij te graven en hielpen ze de monniken bij het vervaardigen van de stenen. Dat waren er heel wat want behalve een melkerij met een oppervlakte van 660 m2 en een hoge schouw op de binnenkoer waren ook een maalderij en een schrijnwerkerij gepland. De steenbakkersoven stond binnen het abdijdomein op het veld achter het bos (9). Een stoommachine van Pauwels uit Asse die in de Lindendreef stond, leverde de nodige stroom voor de steenmolen (10). Désiré Bornauw zorgde voor de kolen (11)  Fideel De Coster uit Hekelgem leidde de bouwwerken die in het totaal een half miljoen fr bedroegen. In 1926 was het gebouw klaar.

 

Een grote kruismedaille van Sint-Benedictus in mozaïek sierde de voorgevel aan de Abdijstraat. Er kwam een volledig nieuwe zuivelinstallatie. De Société d’ Exploitation d’Usines Métallurgiques  uit Corbehem leverde een séchoir rotatif sous vide pour la fabrication de poudre de lait cru voor 315000 fr. In Denemarken kocht men een room- en melkpasteriseur die op 24 augustus 1926 voor het eerst werkte (12). Er waren 4 personeelsleden: een stoker, een afromer, een botermaker, een verkoper en een boekhouder die onder de leiding van een monnik werkten. Dom Victor Van Schepdael was directeur tot hij in 1906 naar de missie in Zuid-Afrika vertrok. Hij werd opgevolgd door dom Jozef De Mey maar  na zijn terugkeer was hij nogmaals directeur van 1924 tot 1930.

 

Door de oprichting van meerdere melkerijen in de streek daalde het aantal leden. In 1930 bezorgden de boeren slechts 4 700 liter per dag en de abdij besloot de exploitatie over te laten aan de Laiteries Réunies Pax uit Brussel. Dom Tobias Vergauwen, bekend omwille van zijn kennis en vakkundigheid, werd technisch leider met een maandloon van 900 fr. De 5 andere werknemers moesten met een lager salaris tevreden zijn: vader Van den Bossche ontving 675 fr, zoon Van den Bossche 450 fr, Meert 450 fr, Gheyssens en Van den Berghe 395 fr. De abdij kreeg een forfaitaire vergoeding van 25 000 fr per jaar.

 

De hoeveelheid geleverde melk bleef echter dalen. In 1935 zo’n 2 500 liter en in 1939 nog gemiddeld 2 400 liter. Op 2 september 1938 voerde het bestuur nog een nieuw werkreglement in. Dat regelde onder meer de werkuren: de stoker begon om 5.30 u, de anderen om 6.30 u en ze werkten tot 12 u. Een van hen moest nog voor een uur terugkomen om de melk te helpen laden. ’s Zondags werd er ook gewerkt. Het bedrijf bleef in werking tot 9 september 1940. De voedingscorporatie van België had op 17 augustus het bevel tot sluiting gegeven. Op de laatste werkdag werd nog 1 755,5 liter melk verwerkt (13).

 

Tijdens de oorlog bleven de installaties ongebruikt en toen de Duitsers verdreven waren, bleek dat ze niet meer werkten. Nieuwe investeringen hadden niet veel zin daar de streek al voldoende zuivelbedrijven telde. De monniken vonden ook dat de rol van de abdij als voortrekker voor de materiële vooruitgang van de mensen van het omliggende was uitgespeeld. De jaren gingen voorbij. Dom Robert De Muynck, de keldermeester, liet de installaties uitbreken en verkocht in 1949 de stoomketel aan de firma Almaco voor 25 000 fr. De ontmanteling duurde enkele dagen (14). De rest werd als oud ijzer van de hand gedaan. Dom Robert diende op 10 november 1951 bij de overheid nog een schadevergoeding in van 1 688 084 fr wegens de gedwongen sluiting. Uit de opgegeven inventaris blijkt dat de melkerij toch behoorlijk was uitgerust:

  • een waterput met een diepte van 57 m en een debiet van 7 000 liter
  • een stoommachine van 1909 met stoomketel
  • 3 elektische motoren
  • compressor, warmwaterbereider van 217 l, boterbak van 85 l en koelcilinders
  • melkontvangstbak van 795 l, afromer van 3 000 l uit 1910
  • melk- en roompasteur, melkkoelers, 2 melkbakken van 6 000 l en een karnkneder uit 1926
  • melkpomp met een debiet van 3 000 l
  • centrifufe voor vetbepaling enz.

Volgens de schatting bracht de melkerij gemiddeld 37 506 fr per jaar op (15).

Een keukenfirma gebruikte de lokalen enige tijd als opslagruimte en de kleuterschool van Hekelgem vond er van 3 mei tot 1 oktober 1954 onderdak toen de schoollokalen werden verbouwd. De burgerlijke bescherming kwam er ook af en toe oefenen. Stilaan bood het gebouw een troosteloze aanblik maar een nieuwe toekomst wenkte.

 

Een centrum voor culturele en toeristische activiteiten

Dom Ambroos Verheul, sinds 1962 prior van de abdij, was de overtuiging toegedaan dat de abdij wel degelijk nog iets kon betekenen voor de mensen en dat niet alleen op religieus gebied. Hij droomde van een ontvangstcentrum voor culturele en toeristische activiteiten en de leegstaande gebouwen van de melkerij waren daarvoor geschikt. Op 23 november 1963 stemden de monniken in met de omvorming van de melkerij tot cultureel centrum.

 

De kosten zouden aanzienlijk zijn maar Jozef Van Overstraeten, de dynamische voorzitter van de Vlaamse Toeristenbond, reageerde enthousiast toen hij van de plannen hoorde en zegde ruime financiële steun toe. Meteen kon men beginnen met de concrete uitwerking van de plannen onder leiding van architect Albert Van Ransbeeck uit Hekelgem. De oudste misdienaars namen het voortouw en sloopten de steunberen in de grote zaal. 1965 werd het jaar van de grote veranderingen: vensters dichten, de opstap aan de voorgevel wegbreken, openingen kappen, de hoge schoorsteen op de binnenkoer slopen. Dom Franco was daarbij een onmisbare hulp. Het jaar daarop volgde de afwerking: elektriciteit, verwarming, sanitair, plaatsen van ramen en deuren, muur- en vloerbekleding.

 

 Zo kreeg het gebouw stilaan zijn huidig uitzicht waarin drie opvallende kunstwerken de aandacht trekken. Vooreerst is er het grote gebrandschilderde glasraam van glazenier Armand Blondeel uit Mariakerke. Deze kunstenaar zag zijn brandglasraam niet als een zuiver decoratief element, wel als een kunstwerk op zich dat net als een schilderij de mensen zowel in zijn totaliteit als in de details moet aanspreken.

 

Het tweede werk is de horizontale fries in keramiek van Achiel Pauwels, eveneens uit Mariakerke. In 23 taferelen beeldt hij symbolisch-anekdotisch de voornaamste momenten van de abdijgeschiedenis uit. Jan Toelen zorgde in De Faluintjes nr 1, 2007 voor een handige en beknopte uitleg bij de verschillende taferelen. Het derde kunstwerk hangt in de hal van het Centrum rechtover de winkel. Het is een eikenhouten bas-reliëf van beeldhouwer Gilbert De Smet uit Erembodegem dat de steun van VTB in herinnering brengt.

 

Voor de plechtige inhuldiging was alles op tijd klaar gekomen. Drie monniken stonden in voor het beheer, daarbij geholpen door een adviesraad. Dom Ambroos Verheul regelde de voordrachten, dom Servaas Visser de tentoonstellingen en dom Idesbald Verkest was de penningmeester. Het Centrum beschikte over een grote zaal met podium, geschikt voor tentoonstellingen en conferenties.Voor de twee bovenzalen dacht men aan een museum of tentoonstelling over oud-Affligem. De kelder was ingericht als minibar en kleine conferentiezaal.

 

De plechtigheid op 4 juni begon met een mis in de abdijkerk opgeluisterd door het knapenkoor van het St.-Maarteninstituut van Aalst onder leiding van Frans De Coninck. In het Centrum zelf had de feestzitting plaats. Onder de aanwezigen waren onder andere oud-premier Theo Lefèvre en abt Maurus Peleman van Dendermonde. Jozef Van Overstraeten, de eerste spreker, loofde de abdij voor wat ze op cultureel gebied presteerde en hoopte dat ze die taak in de toekomst verder zou zetten. M. Duchateau van de (toenmalige) BRT belichtte de mogelijkheden van het Centrum en A. Van Impe, die de minister van Nederlandse Cultuur R. Van Elslande vertegenwoordigde, sprak over de verhouding Kerk en wereld op het domein van de cultuurspreiding. Heer abt Goetgebuer dankte allen die hun medewerking hadden verleend aan de verwezenlijking van het Centrum. Jozef Van Overtstraeten tenslotte onthulde de gedenkplaat van kunstenaar Gilbert De Smet. Daarna begaven alle genodigden zich naar de abdijrefter voor een feestmaaltijd. Het eerste werkjaar begon op 7 juni met de vernissage van de tentoonstelling van kunstschilder Maurice Van Saene.

 

Voetnoten

1) C. COPPENS, De Stoommelkrij Pax (1898 – 1940), in: Honder Jaar Affligem, Abdij Affligem, 1970, 69 – 70 en S. VISSER, Van melkfabriek tot Kultureel Centrum, in:Affligem, nr 5, 1967, 43 – 44.
2) Archief Abdij Affligem (hierna = AAA) 5N1.
3) Ibidem
4) IDEM 5N5bis
5) IDEM 5N13
6) IDEM  5N7
7) IDEM 5N5bis
8) Ibidem
9) NN, Feestelijke opening van Affligems Kultureel Centrum, i n : Affligem, nr 5, 1967, 40 – 42 en  I. VERKEST, Het Kultureel Centrum van Affligem, in: Honderd Jaar Affligem, 51 – 53
10) W. VERLEYEN, Iconografie van de Sint-Pieters- en Paulusabdij, Affligem, 1990, 114
11) AAA 5N4
12) IDEM 5N3
13) IDEM 5N10
14) IDEM 5N3
15) IDEM 5n3

 

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com