home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

De monnik en het eeuwigheidsvogeltje

door Ben Vermoesen

 

Wie de prachtig gerestaureerde Kluiskapel op de grens van Hekelgem met Erembodegem onder leiding van een Affligemse gids bezoekt, krijgt de nodige uitleg over deze oude kapel. De oorsprong blijft in  het duister gehuld. Volgens sommigen is de kapel het restant van het “Eerste Affligem”, nl. een stichting van Sint-Ursmarus, abt van Lobbes, die in het begin van de achtste eeuw in onze streken het evangelie verkondigde en nabij de “Breedeik” een cella bouwde. Die eik stond volgens hen nabij de Kluisbron. Een machtige eik en een bron, dat was voldoende voor de mensen uit de streek om die plaats in het dichte bos als heilig te beschouwen en voor de missionaris die Sint-Ursmarus was, een reden om er een christelijke betekenis aan te geven.

Anderen evenwel situeerden die stichting op de Boekhoutberg. Zeker is dat het bos en de kapel al in het bezit waren van de abdij Affligem vanaf haar stichting in de elfde eeuw (wat voor de eerste groep het “Tweede Affligem” is). Mogelijk bouwde de abdij de kapel ten behoeve van  monniken die zich tijdens de vasten als kluizenaars in het bos wilden terugtrekken (1).  In 1758 werd de kapel vernieuwd en wat er nu nog staat is het koor van dat grote gebouw. Met de opheffing van de abdij en de verkoop van het abdijbezit in de Franse tijd, kwam de kapel in particuliere handen tot de familie Roseleth ze aan de parochie overdroeg. In de tweede helft van de 20ste eeuw, de kapel was totaal vervallen, zorgden de “Vrienden van de Kluis” voor de restauratie. De Vlaamse Toeristenbond schonk twee prachtige glasramen van Frits en Monica Kieckens. Ze beelden legenden uit die verband houden met de abdij Affligem.

Op het glasraam rechts staat de monnik Radulfus, die leefde in de 12de eeuw, met opgeheven armen voor de brandende romaanse abdijkerk. Deze Radulfus, bijgenaamd “de Zwijger”, had al 16 jaar niet meer gesproken toen hij een brand in de abdijbrouwerij bedwong met de woorden: ”Vuur sta stil!”. Hij werd in de Kluiskapel begraven en volgens de overlevering gebeurden er heel wat mirakelen op zijn graf.

Op het tweede glasraam zit een geknielde monnik in kovel naar de hemel te staren. Achter hem staat een boom met een vogeltje. De monnik verbeeldt een Affligemse pater die, door het Kluisbos lopend, mediteerde over het psalmvers “Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is”. Plots hoorde hij een vogel zo lieflijk zingen dat hij, alles en iedereen vergetend, bleef luisteren. Waneer hij eindelijk naar zijn klooster terugkeerde, herkende hij niemand meer: hij was vele jaren weggebleven.  Dit verhaal, kort en zakelijk meegedeeld, geheel in de geest van onze tijd, is gebaseerd op een lokale mondelinge traditie die onder meer werd opgenomen in het Brabants Sagenboek (2). Andere versies verhalen het gebeuren heel wat uitvoeriger. Jef Scheirs bijvoorbeeld  maakte er met zijn ongebreidelde fantasie een bijzonder kleurrijk verhaal van, op zo’n overtuigende wijze gebracht alsof hij zelf getuige was geweest (3).

Zijn verhaal begint in 1089 in een oud klooster op de Boekhoutberg. Broeder Hildebrand, die heelder dagen in zoete beschouwing liep en almaardoor peinsde en herpeinsde op ’t begrip eeuwigheid, is op een morgen naar het bos gegaan. Hij kan het wonder van de eeuwigheid niet vatten en smeekt: Here God, laat mij toch een klein beetje eeuwigheid voelen, toe Here God!  Aanstonds begint er een blinkend vogelken almachtig schoon te zingen. Als het vogeltje wegvliegt, beseft Hildebrand dat hij zich moet haasten om tijdig in de kerk te zijn. Maar in zijn haast is hij algelijk toch mislopen want op de plaats van zijn klooster vindt hij alleen puinen. In de verte bemerkt hij toch een klooster. Als hij daar aankomt, herkent hij niets of niemand. De portier die zijn verwarring ziet, vermoedt dat de oude broeder zwakzinnig is en brengt hem bij abt Fulgentius. Hildebrand legt uit dat hij de hele dag naar de vooizekens van een vogel heeft geluisterd en nu is alles ineens veranderd tot de abt toe. De abdij staat zelfs niet meer op dezelfde plaats! Bij abt Fulgentius gaat er een licht op. In oorkonden van Antwerpse monniken heeft hij gelezen over een nooit teruggevonden broeder Hildebrand. Hij verdween op 2 november 850, de dag dat de Noormannen het klooster in puin legden. Hildebrand weet nu dat hij meer dan 200 jaar is weggeweest. God heeft hem een stukje eeuwigheid laten genieten. Als de zang van één vogel hem 200 jaar uit de tijd kon trekken, wat moet dan niet de hemel zijn waar er miljoenen zingen! En terwijl hij dat zei, ging hij de eeuwigheid in. 

 

Een oudere versie verscheen in Gazet van Assche van zondag 16 en zondag 23 december 1906 en werd geschreven door “nen volksjongen van Meldert”. Zijn verhaal, wat minder sappig dan Scheirs’ vertelling, is toch even boeiend omdat ook hij zich als een getuige opstelt die gefascineerd toekijkt. De monnik heet nu Felix en het verhaal begint in 788. Onze “volksjongen” is behoorlijk op de hoogte van de geschiedenis van de abdij maar heeft toch een haast kinderlijke naïviteit: pater Felix gaat ’s nachts in het putje van de winter naar het bos om hout te hakken! Hierna volgt de oorspronkelijke tekst, alleen de spelling is aangepast. 

 

“Affligem op 20 minuten afstand der parochiekerk van Meldert, is een heilige plek. De eerste stichter van Affligem is de H.Ursmarus in de jaren 700. Vandaar de legende van het vogelken. Sint-Ursmarus zou een zijner religieuzen uitgezonden hebben om hout te kappen. De kloosterling ’t bevel zijner abt nakomende ging, in diepe overweging over de eeuwigheid, naar zijn werk. Ineens wordt zijn oor getroffen door ’t zoete gezang van een vogelken. Het beestje vloog zingend en kwelend vooruit, betoverde de monnik door zijn gezang en bracht hem dieper en dieper het bos in. De goede man wist niet meer wat er rond hem gebeurde. De gedachte aan d’ eeuwigheid en de woorden die hij in ’t nachtofficie gehoord had, hielden zijn geest bezig met God, terwijl het vogelken altijd maar voortzong. Daar stond hij in ’t diepste van het bos. En weet wel, beste lezer, gij hebt misschien van uw ouders horen zeggen toen ter tijde was het hier bos van Asse tot Aalst, van Dendermonde tot Ninove,dus geen wonder dat daar iemand verdolen kon en dat hij onvindbaar was. Zo was het gegaan met de monnik-houtkapper, hij was in het bos verdoold en alle opzoekingen bleven vruchteloos.

 

Doch God wilde een wonder in zijnen dienaar uitwerken, hem tonen dat het zalige genot der eeuwigheid niet kan vervelen en dat de tijd van duizend jaren waarlijk een nietigheid is, als men dien bij de eeuwigheid vergelijkt. Driehonderd jaar was de kloosterling in verrukking en als hij tot bezinnens kwam, bemerkte hij dat de zon reeds hoog geklommen was en dat het moest laat worden. Spoedig, en zonder iets verricht te hebben, wil hij naar het klooster; maar, o wonder, hij bekent zich in niets meer: de bomen die moesten dor en naakt staan, praalden nu in verrukkelijke weelde, vol bloem en lover, de vogelen zongen dat het een plezier was, in een woord, ’t was volle lente, en toch meende de kloosterling dat hij zich maar een uurken vergeten had en wil beschaamd weg aan zijnen abt verschoning vragen omdat hij niets gedaan had en misschien nog in de kloostermis ging te laat komen. Maar neen, er is geen inkomen, hij bekent zich in niets en zoekt en blijft zoeken.

 

Droomt hij of is hij zinneloos geworden? Hij betast zijn eigen zelven om tot de overtuiging te komen dat hij het toch is. Ja, er is geen twijfel, hij is het in persoon, hij zelf. Waar is hij? Hij weet het niet! Hij sukkelt voort, baant een weg door bramen en varing en gaat altijd maar voort met de overtuiging dat hij toch ergens uitkomen moet. Na lang dolen en sukkelen komt hij werkelijk aan een arme hut. Hij ademt vrijer: hij hoopt daar iemand te vinden. Ijdele hoop, hij roept, hij kijkt en luistert, meermaals gaat hij de hut rond. Hij hoort of ziet niets dan kwelende vogels. Hij vervoordert dan weer traagzaam en nadenkend zijnen weg, hij treft een zoet vogelken aan, hij volgt een spoor en na korten tijd krijgt hij een menigte gebouwen in het zicht. ’t Gelijkt een stad. Wat mag het zijn? Zijn hert klopt van aandoening. Hij trekt er op af. Hij gaat nu tenminste weten waar hij is. Het teken onzer zaligheid, het kruis, prijkt te midden der gebouwen, ’t moet een kerk zijn. Hemel, hij nadert de ingangspoort: hij klopt, de zware poort gaat open, een broeder met nen hoop sleutels beladen, doet hem teken binnen te komen en vraagt wie hij melden mag. 

 

- ‘k Ben hier toch wel in een klooster broeder, waagt de bedubde pater te zeggen.
- Ja is het antwoord.
- Wel, meld aan den Hoogweerden Oversten dat een verdwaalde pater hem zoekt te spreken. Pater Felix van Affligem
- Pater Felix van Affligem, herhaalt de broeder hem verwonderd aankijkend.
- Kom, zegt hij, volg mij. Hier hebt ge het genadebeeld van Maria dat onze Hoogweerde Abt Fulgentius uit Frankrijk medebracht vanwaar hij verbannen is. Bid hier een weinig, ik ga onzen Hoogweerden Vader uw bezoek melden.

Enkele minuten later is de Hoogweerden Abt Fulgentius bij onzen vreemden bezoeker, hij klopt hem stil op de schouder en doet hem teken hem te volgen in de spreekplaats. De kloosterling, na den zegen van den Hoogweerden Man ontvangen te hebben, volgt stilzwijgend. In de spreekplaats gekomen, vraagt den Hoogweerden Abt, wie hij de eer heeft te ontmoeten.

- Ik, ik ben pater Felix van Affligem.
- En wat is uw verzoek goede man?
- Hoogweerde ik ben verdoold, ‘k ken weet niet waar ik ben, of zelfs niet waar ik kom.
- Gij zijt pater van Affligem?
- Gelijk gij zegt, Hoogweerde.
- En wie is uw overste?
- Fulcard, abt van Lobbes, is mijn wettige overste, voor hem deed ik mijn professie in 780, onder hem werd ik ook priester gewijd, hij komt maar zelden naar Affligem en hij is ook van zin de weinige monniken die in Affligem verblijven, weder naar Lobbes te roepen.
- Gij zijt dus pater Felix van Affligem, geestelijke zoon van den eerbiedweerdigen Fulcard, opvolger van Sint-Ursmaar.
- Gelijk gij zegt, Hoogweerde Vader. 

De abt biedt een stoel aan den wonderen monnik en verzoekt hem te gaan zitten.Hij verlaat de spreekplaats om oorkonden van Affligems eerste stichting te raadplegen. Daar op de zevende bladzijde is er waarlijk spraak van pater Felix, die den 2 december 788 na de nachtgetijden naar het bos was gegaan om hout te kappen en nooit teruggekeerd was. De abt, ten uiterste verwonderd en als van de hand Gods geslagen, keert weder tot den wonderbaren pater Felix en vraagt hem:

 

- Pater, wanneer hebt gij uw klooster verlaten?
- Op Sint-Bibianadag, Hoogweerde Vader.
- Van welk jaar?
- Wel, vandaag 2 december 788.
- En gij weet geenszins waar gij zijt?
- Neen Hoogweerde, hoe zou ik het nog weten, mij dunkt dat ik droom of dat ik honderd uren van mij weg ben.
- En wat is uw laatste bezigheid geweest?
- Wel Hoogweerde Vader, na de nachtgetijden ben ik op bevel van mijn overste naar het bos gegaan om hout te kappen. Onderweg hield de gedachte aan d’ eeuwigheid mij bezig en ‘k en kon niet begrijpen wat de woorden van den psalm “Duizenden jaren zijn in uw ogen gelijk de dag van gisteren die voorbij is” mochten betekenen. Een wonderbare vogel kwam boven mijn hoofd zweven en zong zo verrukkelijk schoon dat ik buiten mijzelf geraakte en zie mij nu hier … 

De Eerbiedweerdige Abt kan zich niet meer weerhouden. Hij neemt de monnik in zijn armen, geeft hem de broederkus en verklaart hem dat hij in Affligem is en hem aanneemt als zijn zoon. Zo blijven zij een wijl in malkanders armen rusten met tranen in de ogen, Gods wonderheden overpeinzend. Nu verklaart abt Fulgentius het wonder dat de Heer in pater Felix heeft uitgewerkt.

 

- Mijn zoon, zo spreekt de abt, gij zijt drij volle eeuwen van uw klooster afwezig geweest – driehonderd jaren – en die tijd is voor u vervlogen als een niet; gij ziet dus dat de tijd , bij de eeuwigheid vergeleken volstrekt niets is. Nu vindt ge hier in Affligem in plaats van nen weerdigen opvolger van Sint-Ursmarus, eenen eenvoudigen dienaar Gods, broeder Fulgentius. 

 

Na deze woorden spraken de abt en pater Felix nog lang over de goedheid Gods. De abt vergaderde zijn gemeente opdat allen getuigen zouden zijn van de wonderlijkheden die God in hunnen broeder kwam uit te werken. Nadat zij allen malkanderen omhelsd hadden, verzocht pater Felix de vergaderde gemeente om gezamenlijk naar de kerk te gaan. De Hoogweerde Abt Fulgentius verstond daar eene ingeving des hemels dat hij aan pater Felix de communie moest toedienen om, versterkt door het lichaam en bloed des Heren, de grote reis der eeuwigheid te doen. Pater Felix knielde aan de voet des autaars, tussen twee paters die hem vergezelden en na de H. Teerspijs genut te hebben, geraakte hij in eene zalige geestesverrukking, waaruit hij eerst ontwaakte in de eeuwige zaligheid. 

 

De legende van pater Felix en het vogelken zoude niets te beduiden hebben dan de vereniging of de betrekking van Affligems eerste stichting in de jaren 700 tot de tweede stichting in 1075. De volkslegende is dat het wondervogelken zijn hemels lieve tonen uitgalmde ter plaatse waar thans nog de kapel van O.-L.-Vrouw-ter-Kluizen of Kluiskapel staat. 

 

Er bestaan van de legende van het eeuwigheidsvogeltje ook bewerkingen op rijm o.a. van Prudens Van Duysse (+ 1855)(4) en Laurens Van der Schueren (5).  Patrick Bernauw schreef een jeugdversie (6). Dom Wilfried Verleyen bestudeerde het thema en ontdekte dat deze legende waarschijnlijk in Ierland ontstond. De oudst bewaarde versie komt van de Parijse bisschop Maurice de Sully (+ 1196). Twee jezuïeten, F. Costerus en C. a Lapide, lokaliseerden het verhaal in de eerste helft van de 17de eeuw in Affligem. Hun tijdgenoot, de Affligemse historicus H. Phalesius (+ 1636), ontkende evenwel het bestaan van een lokale traditie, terwijl zijn jongere collega, O. Cambier (+ 1651), het verhaal nabij de Kluis situeerde. Het eeuwigheidsvogeltje moet de Affligemse monniken toch aangesproken hebben. Toen proost Robert Estrix op 6 oktober 1649 aan de Antwerpse beeldhouwer Johannes Cardon de opdracht gaf een koorgestoelte te vervaardigen, liet hij de eerste abt, Fulgentius (+ 1122) erop afbeelden met naast hem op een boom een zingende vogel (7). B. Regaus (+ 1808) nam de versie over waarin een verband wordt gelegd met de stichting van de abdij van Lobbes te Affligem op de Boekhoutberg. Wilfried Verleyen typeert deze versie als clericaal en erudiet tegenover de volkse versie zonder chronologische situering die zich nabij de Kluis afspeelt (8). 

 

Voetnoten 

1) W. VERLEYEN, De Kluiskapel en de Abdij Affligem, in: De Kluiskapel, kleinood op de grens van Hekelgem en Erembodegem, VTB-Bibliotheek nr. 238, 1978, p. 2.

2) A. DE COCK & I. TEIRLINCK, Brabantsch Sagenboek, dl I, Gent, 1909, p. 69 – 72.

3) J.SCHEIRS, Affligem in Brand, Dendermonde, 1930, p. 2& - 24.

4) P.VAN DUYSSE, De Monnik van Affligem, in: Vaderlandsche Poëzij, Gent, 1840

5) L.VAN DER SCHUEREN, Het wonderbare vogeltje, in: Affligemse sagen en legenden, Affligem, 1990.

6) P. BORNAUW, Affligem – Het wondervogeltje, in: Fantastisch Vlaanderen – Van A tot Z. Vlaamse Filmpjes nr. 25, 1994.

7) W. VERLEYEN, De Abdijgebouwen van Affligem 1083 – 1796, in: Ascaniabibliotheek nr. 3&, 1973, p. 30.

8) W. VERLEYEN, De legende van de monnik en het vogeltje te Affligem, in: Ascania nr. 1, 1991, p. 11 – 20.

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com