home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Artikels over de Abdij
De zandgroeven van de abdij Affligem
Het Collège St.-Benoît
De windmolen van de abdij
Vakschool tuinbouwkunde
Een kluiskapel legende
Het eeuwigheidsvogeltje
Beschermde monumenten
Abdij Affligem, een geschiedenis
Het klooster van Affligem ligt op Hekelgem
Van Melkerij tot Cultureel Centrum
Artikels over hop
De Hopteelt
Het werk van de brouwer
Geschiedenis Abdijbier
Galg Boekhoutberg in hopast
Artikels over monumenten
Hopast Lindthout
Beschermde monumenten
Van Peteghemorgel
Het orgel van Essene
De zwarte populier
Ankerplaats Kluisbos-Faluintjes
Artikels over Affligem
Cider maken in Affligem
Straatnamen
Boerenmarkt Teralfene
De Papeter
De Zotten
Op zoek naar onze orientatietafel

Artikel Van Melkerij tot Cultureel CentrumToerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland

De zandsteengroeven van de abdij Affligem

Door Ben Vermoesen

 

Van de kant van Meldert heeft men de steengroeven van Affligem.  Eertijds waren ze zo vermaard en zo rijk, dat men er een groot deel van de gebouwen van Antwerpen en Mechelen mee heeft opgetrokken.   Het aantal steenkappers en andere werklui die daar arbeidden en in tenten woonden was zo groot, dat het er toeging als in een stad.  De inwoners van Brussel en Aalst hadden de grootste moeite om te beletten dat er openbare feest- en marktdagen gehouden werden.  Van dat alles blijft er niets meer over en terecht noemt men die plaats de woestijn.


Dom Odo Cambier, Haffligenium sive Abbadiae Haffligemensis historia, liber III, cap. 5, 190.  Vertaling dom Reinerius Podevijn.


Woord vooraf

 

In de heuvels tussen de Dender en de Dijle en vooral langs de oevers van de Zenne werden miljoenen jaren geleden kalkzandstenen gevormd.  Maar pas in de late Middeleeuwen kwamen de mensen tot ontginning om stenen woningen, kerken, belforten en stadhuizen te bouwen.  Van de 12de tot de 18de eeuw en vooral tussen 1350 en 1600 kende de steenexploitatie een enorme omvang met uitvoer naar vrijwel alle plaatsen in Vlaanderen, Brabant en het westelijk deel van Nederland.  De zandsteen was zeer gegeerd omwille van zijn witheid, hardheid en bewerkbaarheid.  Nadien werd het monopolie van deze natuursteen aangetast in Nederland door de invoer van Bentheimer zandsteen uit Neder-Saksen en in onze streken door de invoer van Naamse steen.

 

Maar met de zandsteenontginning, wellicht opgestart door de abdij Affligem (gesticht in 1062), kende onze streek een totale ommekeer.  Niet alleen het uitzicht wijzigde, er ontstonden heuvels en diepe groeven, vooral de samenstelling van de bevolking veranderde.  Steenkappers, beeldhouwers, werklieden voor graafwerk en vervoer stroomden toe.  En met die komst werd de streek een verzamelpunt van kunstenaars.  Beroemde bouwmeesters zoals Peter Appelmans, architect van de     O.-L-.Vrouwkathedraal van Antwerpen, bezochten de steenpoelen en introduceerden de nieuwe bouwstijl en samen met de steen werd de Brabantse gotiek verspreid.

 

De keuze van “steen” als thema voor de Open Monumenten Dag 2003 is een unieke gelegenheid om de periode van de zandsteenontginning nog eens nader toe te lichten.  Er is immers al heel wat studiewerk over verricht, vooral door de Affligemse historici dom Odo Cambier, dom Reinerius Podevijn en dom Wilfried Verleyen.  Met deze publicatie willen we al wat her en der verschenen is, samenbrengen in een historisch overzicht en ook een paar andere aspecten belichten die tot hiertoe nauwelijks aan bod kwamen: de vorming van de zandsteen , het werk van de steenkappers en het uitstippelen van een wandelweg om zelf de sporen van deze eertijds zo omvangrijke bedrijvigheid te bekijken.

 

Vorming van de zandstenen

 

De zandsteen die in onze streek werd gepoeld, is een sterk kalkhoudende witte zandsteen, Lediaan genoemd.  Voorafgaand aan de vorming van de zandsteenformaties en dus onder de zandsteenlagen, ligt een vrij dikke laag – 50 tot 70 m – van Ieperiaanse fijne zanden en fossielrijke zandachtige klei.  Op het Ieperiaan liggen gestoorde lagen van glauconietzand met zandstenen en klei, Paniseliaan genoemd.  Naar de oppervlakte toe bevatten die minder klei en meer fossielhoudend zand.  De zandstenen uit de Ieperiaanse en Paniseliaanse lagen werden nooit ontgonnen.  Dan komt het Lediaan, gevormd in het midden-eoceen, dit is in het tertiair tijdperk, zo’n 57 tot 53 miljoen jaar geleden.  Het Lediaan bestaat uit fijn wit kalkhoudend zand met tussenliggende banken van kalkachtige zandsteen.  Tenslotte zijn er een aantal deklagen van ijzerhoudend zand en klei en op de hellingen een leemlaag met zand en keien aan de basis. De dikte van die deklagen varieert van 2 tot 6 m.  Het leem werd gedurende de laatste ijstijden door de wind aangevoerd.

 

De zandstenen kwamen voor in 3 lagen 4 tot 10 m diep.  Tussen de lagen bevond zich veel grondwater dat moeilijk weg te leiden was.  Iedere steenlaag bestond uit blokken van verschillende oppervlakte en dikte, die los naast elkaar lagen.  De zandsteenbanken op de rechteroever van de Zenne waren dun en brokkelig.  Daar kwamen ook onderaardse ontginningen.  In Elsene deden zich in 1954 en 1955 nog verzakkingen voor bij funderingswerken op de terreinen van de ULB door instortingen van onderaardse groeven.  De kwaliteit van de stenen nam toe van oost naar west, vooral op de linkeroever van de Zenne.  Over het ontstaan van de zandsteenformaties bestaan er twee theorieën.  Doorzijpelend regenwater zou ijzererts uit de bovenliggende lagen tot bij de kiezellaag gebracht hebben.  De tweede opvatting stelt dat de eeuwenlange kalkafscheiding door myriaden de stenen vormden.  Ter staving voegt men eraan toe dat in de zandstenen schelpjes voorkomen.

 

Van steenblok tot kunstwerk

 

Het poelen van de steen begon met de bovenlaag af te graven en op hopen bijeen te brengen.  Dan begon het werk aan de stenen.  De steenblokken die samen een zandsteenbank vormden, moesten nu losgemaakt worden.  Tussen twee blokken, die van elkaar gescheiden waren door een schichtvoeg, dit is  een ader van grint, aarde en bitimineuze stoffen, sloegen de arbeiders houten wiggen tot een blok loskwam.  Was het blok te groot om te transporteren, dan hakten ze er eerst op geregelde afstand van elkaar gaten in en dreven er kielen in tot het spleet.  Dat blok laadden ze op lage, door paarden getrokken sledes en sleepten het naar de werf.  Dat ging zo door tot de hele bank weggehaald was.  Om tot aan de onderliggende tweede en derde laag te geraken, moesten de arbeiders weer de grond afgraven en wegvoeren of in manden en met behulp van katrollen naar boven trekken.  Werden de wanden van de groeve te steil, dan steunden ze die met palen en planken.  De steenblokken haalden ze eveneens met katrollen, eventueel getrokken door paarden, naar boven (1).

 

Op de werf sorteerden de steenkappers de blokken.  De grotere verkleinden ze tot hanteerbare stenen.  Op kleinere werven gebruikten ze daarvoor kielen om te kloven, op grotere werven zaagden ze de stenen door een uit drie draden gevlochten kabel heen en weer te bewegen.  In de zaagsnede goten ze ondertussen een mengsel van zand en water. Bij een verdeling van gronden te Meldert in 1424 was er al sprake van een steenzagerij (2).  Nu konden de steenkappers de stenen de vereiste vorm geven.  Met kalk of gekleurd water tekenden ze de vorm op de zandsteen en kapten met puntbeitel en stenen hamer de delen buiten de compositie weg.  De grote lijnen werkten ze uit tot op enkele cm van het eindoppervlak.  Met tandbeitels krabden ze daarna de rest weg en werkten de details met scherpe puntbeitels bij.  Tenslotte nummerden ze hun afgewerkt product en brachten hun steenkappersmerk aan.  Wat als afval overbleef, werd in kalkovens tot kalk verbrand.

 

Het hakken was een werk dat grote concentratie vereiste want een verkeerd gerichte beitel kon de steen tot gruis doen splijten.  De steenkappers waren dan ook degelijk geschoolde ambachtslieden die de klassieke middeleeuwse opleiding hadden genoten: eerst leerjongen, dan gezel en na een proef erkenning als meester.  Ze waren in staat bijzonder verfijnd werk te leveren.  Een voorbeeld daarvan is de gewezen zijpoort van het Bisschoppenhuis, nu aangebouwd aan de oostgevel van het Jeugdheem St.-Benedictus op de vroegere abdijhoeve.  De sokkels en de schachten van de zuilen zijn met loofwerk, arabesken en grotesken versierd en hoewel verweerd, toch is het kunstige kapwerk nog duidelijk te zien.  Grote bouwmeesters zijn als steenkappers begonnen: Gillis Van den Bossche, Jan Van den Berghe, Lodewijk Van Bodeghem, Hendrik Van Pede, Mattheus de Layens e.a. Net zoals de andere ambachtslieden waren de steenkappers ook verenigd in een gilde, nl. het “ambacht van de steenbickeleren”.   Het Liber Anniversariorum 1426 – 1427 van de abdij  vermeldt op 28 januari een jaargetijde voor Katharina Steenbickeleeren, dochter van een vermaard steenkapper? (3).  Hun lonen kwamen overeen met de gemiddelde daghuur van die tijd.  Maar er zijn namen van steenhouwers bekend wiens lonen een stuk hoger lag: Henric de Steenhouwer verdiende in 1468 wel 8 schellingen parisis per dag tegenover 6 voor het gemiddelde en Arent Rediens 12 schellingen parisis tegenover 8 in 1529.  Wellicht voerden zij het fijnere hakwerk uit (4).

In de groeve lag de zandsteen verzadigd van grondwater.  Bij de ontginning vormde het verdampende water, dat ondermeer kiezelzuur bevatte, een beschermende korst in de buitenlaag.  Het kwam er voor de steenkappers op aan om de zandsteen zo snel mogelijk te bewerken want hoe langer die aan de lucht was blootgesteld, hoe harder hij werd.  Konden ze de steen pas geruime tijd na het poelen bewerken, dan moesten ze door de harde korst heen hakken met het gevolg dat die zijn vastheid verloor.  Dat was ook de reden waarom gebruikte steen niet opnieuw kon worden gehakt.

De stenen waren nu klaar voor transport.  Daar zorgde de groeve-uitbater voor.  Die uit de poelen van Meldert, Essene en Hekelgem werden met paard en kar naar de Aart, de werf aan de Dender te Herdersem gebracht, behalve die voor plaatselijk gebruik natuurlijk.  Dat was, gezien de onverharde wegen, geen sinecure.  Om geen overbodige last mee te sleuren, kregen de stenen voor zover dat mogelijk was hun juiste vorm aan de groeve.  Dan ging het met schepen naar de plaats van bestemming.  Was een groeve uitgeput, dan werd ze meestal gedeeltelijk opgevuld met de eerder afgegraven grond en teelaarde, een karwei voor de nieuwe boer.  De groevemeester, die huurder of eigenaar was en werkgever van de steenkappers, kon op zoek naar een nieuwe poel.

 

De zandstenen werden niet zomaar bij de bouw van kathedralen, kerken, stadhuizen of belforten gebruikt.  De bouwmeesters kozen de best geschikte steen voor elk  bouwonderdeel.  Ze bezochten zelf de steengroeven en sloten er contracten af met de  groevemeester voor specifieke leveringen gedurende een bepaalde termijn en tegen een vaste prijs.  Uit de archieven blijkt dat voor de bouw van het Leuvense stadhuis zandstenen uit 7 verschillende poelen werden aangekocht.  Uit de groeven van Dilbeek kwamen stenen van groot formaat voor dragende elementen, waterlijsten en versierde vensterstijlen, kleinere formaten kwamen uit Groot-Bijgaarden.  De zachtere steen van Avesnes-le-sec (Henegouwen) gebruikten de bouwmeesters voor pinakels, sokkels en baldakijnen (5).  De AWA, de Archeologische Werkgroep Affligem, die vanaf 1974 aan de abdij opgravingen verrichtte, kon uit de gevonden voorwerpen afleiden  dat in de romaanse abdijkerk metselwerk in zandsteen afwisselde met ornamenten in “marbre noir” uit Doornik, wat een prachtig contrast opleverde (6).
 
De uitbating van een groeve vereiste aanzienlijke kapitalen.  Enkel grote abdijen zoals Affligem en Ninove (met groeven te Pamel, Dielegem en Jette) konden de nodige investeringen financieren.  Er waren immers veel kosten voor de steen ooit werd verkocht: de gronden verwerven, de steenbanken blootleggen, grondwerkers, steenkappers en voerlui aantrekken en voor de nodige behuizing zorgen, de lonen uitbetalen ...  Kwam daar nog bij dat zo'n uitbating geen bestendig karakter had.  Er werd alleen gepoeld als er een eigen behoefte aan stenen was of bij een grote bestelling en dan nog alleen in de herfst en winter als de landarbeiders beschikbaar waren (7).  De ruïnes van de oude abdijkerk tonen aan dat bouwen met zandsteen een dure aangelegenheid was.  Hij werd alleen aan de buitenkant gebruikt, de restauraties aan de binnenkant gebeurden met baksteen.

 

Voetnoten

  • Steenrijk Dilbeek.  Brochure uitgegeven door het gemeentebestuur naar aanleiding van de OMD 1998.
  • PODEVIJN R., De steengroeven van Affligem, ESDB, jg. 1931, 25 – 29.
  • COPPENS C., Fontes Affligemensis dl 1, Affligem, 1966, p. 14.
  • VERLINDEN C., Geschiedenis van Prijzen en Lonen in Vlaanderen en Brabant, XV – XVIII, Brugge, 1959.
  • Steenrijk Dilbeek, o.c.
  • GHISLAIN J._CL., Les sculptures romanes de l’abbaye d’Affligem (Brabant), Ons Graafschap, jg. 20, nr. 1-2-3-4, 39.
  • Bev. Te Asse in 1731: van 20 september tot 1 maart; in 1732: van september tot november; in 1741: van september tot april, de rest van het seizoen putten vullen en stenen opstapelen.  RYDANT R., Steengroeven in Asse, Ascania, 1977, nr. 3, 95 – 100.

 

 

 

 

 

Klein vocabularium van “den steenhouwere”

 

Hoe goed de Affligemse zandsteen ook was, meestal wordt hij nu  aangeduid met de naam van zijn concurrent, de Lediaanse zandsteen of met variaties daarop: Leedse steen, Ledische steen, Ledesteen of grès Ledien en in de laatste decennia met Balegemse steen naar de laatste groeve in uitbating.  Die benamingen zorgen wel voor verwarring.  Zo is er bev. bij de bouw van de Aalsterse wallen en torens sprake van Leedse steen.  Bedoelt men Lediaanse zandsteen of steen uit de groeven van Lede?  Maar vroeger waren er nog andere benamingen, zeker in onze streek:


witten Haffelghemsen steen;
witte Brabantse zandsteen;
Brusselse steen;
Brabantse arduin;
witte arduin.

 

Bij de zandsteen werd er een onderscheid gemaakt tussen balksteen, herderik, grondsteen en “refuys” (= afval).  Beda Regaus, de laatste Affligemse proost, schrijft:”Item voorders uyt dien steenpoel gelight 2956 voet balcksteen, 189 voet herderick en 739 voet grondsteen ende bovendien 40 hoopen refuys” (1) 

Steenkappersalaam: steencappersysers zoals spitsijzer, tandijzer, bordijzer, topijzer, ciseel (= frijnbeitel) en scharreerbeitel, emmere, gewant, haemers, hantboomen, kerfsaghe, ketene,  rep, schueramer, weghen (= wiggen of kielen), wintelhesp, winde, aertwinde en steenwinde (soort katrol).

berd: plank;
buysen steken: de put delven, klaarmaken;
coopman van steenen: waarschijnlijk ook huurder of eigenaar van groeven en werkgever van de steenkappers;
fosse: groeve, ook gracht;
Heet (heed): plaats waar steen gepoeld werd;
metsmeester: bouwmeester, architect;
ogiven: kruisbogen van een ribbengewelf;
pynders: arbeiders die de steen uit de schepen trekken;
putten spannen: met “bert en reephout” de wanden verstevigen;
scharsen: stenen ophalen; “In 1772 was Peter van der Gote, 45 jaar oud, werckende met steenen te scharsen; (2)
scheien, ook schaaien: in de steenputten werken;
scheysputten: steengroeven;”Onder conditie dat sij sullen scheysen, datter nuemant intstorten van eerde bij vercort en worde, oyck soe daer eenighe eerde souden vallen die selve niet en sullen versmachten”; (3)
voyeren steen: vrachten;
wolfput: een groeve waar water al welvende opborrelt, welven = draaien.

 

Voetnoten

 

  • REGAUS B., Bona et Jura monasterii Haffligemensis, f 125.
  • THEYS C., ESDB, jg. 42.
  • Seenrijk Dilbeek.

 

 

 

Affligemse steen voor Aalsterse bouwwerken

 

De stad Aalst was een goede klant voor de Affligemse zandsteen.  De oudste vermelding in de stadsrekeningen voor de aankoop van stenen dateert van 1411.  Dan heeft de stad voor de boog van de Kattestraatpoort “goeden witten Haffelghemsen steen” gekocht.  In 1460 startten de werken voor de bouw van het belfort onder leiding van de stadsbouwmeester Joos d’Otter, geboren Aalstenaar en ook bouwmeester te Gent.  Geerard Lips en zijn gezel Steven, “steenhauwers van Haffelghem” leveren de stenen voor de borstwering “meesterlic ghehauwen naer de maniere vanden patrone daeraf ghemaeckt” voor 48 pond parisis (1).  De abdij levert ook stenen voor de pui van het schepenhuis, toen bretesk of tghebiede genoemd omdat men daar “sheeren gheboden ende de publicatie vanden bannen plecht te doene” (2).  Stadsbouwmeester Joos d’Otter draagt “Stevine den steenhauwer van Haffelghem” op “te maeken ende te leverne de borstweere vanden vrs. Ghebiede ende dupzetsels vanden pilaren … al van goeden Haffelghemsen steenen” (3).  Het werk was in 1474 af maar daar het nooit een dakbedekking kreeg, werd het al in april 1543 omwille van bouwvalligheid afgebroken en vervangen door het nu nog bestaande gebouw.

 

In 1491 of 1492 kocht de stadsbestuur het landhuis “de Rooze” op de hoek van de Grote Markt en de Zoutstraat om het als “waekhuis” in te richten, d.w.z. als logement voor hoge personaliteiten.  Bouwmeester Nicaas De Cononck liet het begin 16de eeuw herbouwen met Affligemse steen (4).

 

De abdij droeg ook haar steentje bij voor de bouw van de grote kerk.  In 1423 levert Hendrik Lips, steenhouwer (en vader van Geerard?)  210 voet ogiven voor de St.-Mariakerk, voorganger van de St.-Martinuskerk (5).  De kerkmeesters kochten in 1442 ongeveer 7 last Affligemse steen van Daneel Oom en Steven Neelis tegen 2 pond groote ’t last, voor de bouw van de nieuwe beuk die in 1447 al voltooid was (6).  Op 8 maart 1489 sloot de beroemde bouwmeester Herman De Waeghemaeker (+ 1502), de architect van de Antwerpse kathedraal, een contract met de “prochiaen, de proviserers ende bezorghers vanden nieuwen warcke vanden prochiekerken”.  Voor het koor koos hij geelbruine zandsteen van groot formaat, vermoedelijk uit de groeven van Meldert en Boekhout (7).  Ook tijdens de tweede bouwfase van de St.-Martinuskerk (1527 – 1566) onder leiding van Laurens Keldermans gebruikt men Affligemse steen.  In 1534 en 1535 leverde Willem Vrominck, steenkapper, uit de groeve van Boekhout pilaren van “hartten steen, goed van houcken ende scarp van canten” voor de zuidelijke transept (8).  Hij moest de stenen laden op wagens die de kerkmeesters stuurden en ontladen op het kerkhof (9).  Tijdens de laatste bouwfase (1590 – 1650) wil  Aalst  in 1608 de ruïnes van de door de geuzen in 1580 verwoeste abdijkerk kopen om met het afbraakmateriaal de kerk te voltooien.  De verkoop gaat echter niet door, waarschijnlijk door het verzet van de monniken (10).

 

De laatste verwerking van zandsteen uit onze streek gebeurde tijdens de restauratie van de St.-Martinuskerk tussen 1854 en 1899.  Toen werd de stenen borstwering omheen het hele dak herplaatst met steen uit Rochefort, Gobertange en Meldert (11).

 

Voetnoten

 

  • DE POTTER F. en BROECKAERT J., Geschiedenis der stad Aalst, Gent, 1874, II, 57.
  • Stadsrekeningen 1474 – 1475.
  • DE POTTER F. en BROECKAERT J. , o.c., 57;
  • IBIDEM, III, 167.
  • Schepenboek 1423.
  • COURTEAUX F., De Sint-Martinuskerk van Aalst 1480 – 1980.  Overdruk uit Land van Aalst, 1980, nr. 4.
  • Ibidem, 19.
  • De kerkmeesters zorgden voor wagens en paarden om de stenen van “up dBoechout tot up tkerkhof te doen bringhene”.  DE POTTER F. en BROECKAERT J., o.c.
  • Schepenboek 1534, 147.
  •  ROBIJNS L., De Sint-Martinuskerk van Aalst, Gent, 1997.
  •  COURTEAUX F., o.c., 19.

 

 

Zes eeuwen stenen poelen

 
Uit opgravingen te Asse, Laken, Lede en Wemmel blijkt dat de Romeinen zandstenen gebruikten om hun villa’s te bouwen (1).  Na de Romeinse tijd ging dat gebruik echter verloren.  Voor de weinige stenen gebouwen die in de vroege Middeleeuwen werden opgetrokken, zoals het Steen te Antwerpen of het Gravensteen te Gent kozen de bouwmeesters Doornikse steen die via de Schelde werd aangevoerd (2).  Ook de eerste romaanse O.-L.-Vrouwkerk uit de eerste helft van de 11de eeuw en de tweede romaanse zaalkerk uit het begin van de 13de eeuw te Antwerpen werden met Doornikse kalksteen gebouwd (3).  De eerste vermelding van een zandsteengroeve in onze streek dateert uit 1151.  Bernerus, heer van Moorsel, zag af van aanspraken op grond waaruit de abdij steen poelde: “De grond te Meldert waaruit wij steen trokken” (4).  Dom Wilfried Verleyen situeert de groeve op de scheiding Doment-Nievel (5).  Volgens Jan Verbesselt werd er op dat ogenblik ook al steen gepoeld in de omgeving van het Hof te Putte (6).

 

Op initiatief van de abdij Affligem

 

 Algemeen neemt men aan dat de Leedse zandsteen in Vlaanderen pas in de 13de eeuw in gebruik werd genomen zoals voor de St.-Baafskathedraal in Gent en voor het kasteel van Laarne.  In Brabant gebeurde dat al twee eeuwen vroeger.  Wellicht ligt de abdij Affligem aan de oorsprong van de steenexploitatie.  In de schenkingsakten van gronden aan de pas gestichte abdij vanaf 1062 is er nog nergens sprake van steengroeven, maar Beda Regaus schrijft wel over de eerste kerk, in 1086 door bisschop Gerard II van Kamerijk gewijd, dat ze uit gehouwen steen was opgetrokken (7).De eerste abt Fulgentius (1055 – 1122), geboren te Frasnes-les-Gosselies en een tijdlang monnik te Verdun, kende mogelijk de techniek van stenen poelen en liet uit Wallonië en Picardië steenkappers overkomen.  Of er waren al vroeger Waalse en Picardische kolonisten zich in onze streek komen vestigen en die konden nu zandstenen poelen omdat de abdij voor de nodige financiering zorgde (8).  Zij had de stenen nodig voor de oprichting van de eigen abdijgebouwen, voor de priorijen die ze stichtte of voor die waarvan ze het beheer in handen kreeg en voor het onderhoud van de gebouwen zorgde (9)Daarenboven verwierf ze het patroonsrecht over heel wat parochies waarvoor ze de kerken bouwde of verbouwde (10) en bezat ze op vrij korte tijd heel wat hoeven in Vlaanderen en Brabant (11).  Zo is het Hof te Putte ontstaan als steenpoelbedrijf en werd het in de 12de eeuw een boerenbedrijf, hoewel het steenpoelen nog doorging, ook nog in 1424 toen het ter Woestijn werd genoemd (12).  De Bellemolen te Essene bouwde ze in 1149 en het Hof te Ossegem in Laken in 1152.

 

De abdij ging in de 12de eeuw een geweldige bloei tegemoet.  In 1129 begon ze met de bouw van de grote romaanse kerk en in 1130 liet Hendrik I, koning van Engeland, het domus regia bouwen omwille van zijn vrouw Aleidis, dochter van hertog Godfried van Brabant.  Meldert was op dat ogenblik het centrum van de steenontginning.  Het was er net zo druk als in een stad want de abdij verkocht ook heel wat stenen.  De oude benaming Koopmansstraat, nu Dorpsstraat, herinnert daar nog aan.  Maar voor de bewering als zou de Parijsstraat verwijzen naar dezelfde drukte als in de Franse hoofdstad bestaan er geen historische gronden. Volgens J.-CL. Ghislain zou er in 1151 tijdelijk een einde gekomen zijn aan de ontginningen in Meldert waardoor de afwerking van de kerk vertraagde.  In de 13de  eeuw bleef het poelen doorgaan.  Abt Robrecht (1202 – 1227) startte opnieuw grote bouwwerken.  Hij liet de romaanse basiliek vouten, de grote refter bouwen (150 bij 40 voet) en tal van parochiekerken verbouwen, zo bijvoorbeeld de St.-Margarethakerk te Baardegem en de toren van de St.-Michielskerk te Hekelgem in 1242.  In 1218  verkreeg de abdij vrije doorvaart op de Schelde te Gentbrugge, in 1224 vrijheid van tol te Rodenburg, in 1242 te Mechelen, in 1246 te Antwerpen, in 1261 te Gent en op het grondgebied van St.-Baafs.  De export van de Affligemse zandsteen nam nog grotere uitbreiding.  In 1265 was er uitvoer naar Duitsland.  Diederik van Kleef stond in 1274 vrije vaart in zijn gebied toe aan schepen met Affligemse steen.  De graaf van Holland deed hetzelfde in 1285 en 1287 voor de schepen op de Westerschelde.

 

Moeilijke tijden

 

De abdij opende in 1293 nog een nieuwe groeve op de Foost in Essene.  Volgens R. Mertens werd die plaats de Kerkpoel genoemd omdat de steen voor de kerk hier werd gepoeld (13).  Het is niet duidelijk of die naam ontstaan is door de leveringen voor de bouw van de kathedraal van Amiens of pas veel later in 1664, wanneer de kerktoren van Essene werd opgetrokken.  Nog in 1293 vermeldt een hertogelijke oorkonde de broers Petrus en Johannes als Affligemse steenkappers (14).  Zeven jaar later was de steenpoel te Ossegem in Laken, nu de Heyzel genoemd, al in exploitatie.  Maar de activiteiten in de steengroeven vallen in de 14de eeuw sterk terug.  De abdij geraakt in financiële moeilijkheden na de brandstichtingen door Vlaamse troepen in 1334 en 1356.  De hertog van Brabant en de graaf van Vlaanderen vochten hun geschil over de heerlijkheid Mechelen in onze streek uit zodat de monniken  naar hun refugiehuis in Brussel waren gevlucht en er na de laatste brandstichting meerdere jaren moesten verblijven.  Toch werden in 1356 de groeven van de Putberg geopend.  Tot 1500 werd er gepoeld, de stenen dienden in eerste instantie voor plaatselijk gebruik.  Op het domein van het kasteel aldaar zijn de slenken nog herkenbaar.  In 1363 liet de abdij de St.-Walburgakerk te Meldert in gotische stijl herbouwen met stenen uit de buurt.  Abt Jan IV zegende ze in dat jaar nog in.

 

Onder de Bourgondiërs komt er in de 15de eeuw welvaart in Vlaanderen en Brabant.  Dat bewijzen de talrijke bouwwerken overal in het land.  De abdij levert stenen voor de bouw van de St.-Pieterskerk te Leuven (1425 – 1460), de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen, de O.-L.-Vrouwkerk te St.-Omaars, het schepenhuis en andere gebouwen te Aalst.  Van 1419 tot 15 mei 1434 was Peter Appelmans meester van de bouwloods van de Antwerpse kathedraal en in die hoedanigheid leidde hij de werken aan de toren.  Als bouwmeester kwam hij naar Affligem om de steen ter plaatse te keuren.  Zijn opvolger, Everaart Spoorwater (1439 – 1474), die ook toezicht had op werven in Haarlem, Dordrecht, Hulst en Bergen-op-Zoom, was een spilfiguur tussen de bouwwerken en de Brabantse leveranciers van kalkzandsteen (15).  Voor de kathedraal, waarvan de bouw in het midden van de 14de eeuw startte, leverde meester Merten Gheerst van Affligem rond 1491 geveldelen met kapitelen en delen van vensters.  Acht jaar later bezorgde hij 16 sluitstenen voor het gewelf van de kapel van Jeruzalem, nu St.-Annakapel.  In 1497 – 1498 leverde Hendrik van Pede natuursteen uit Affligem, Diegem, Vilvoorde en Asse.  De abdij exploiteerde toen de groeven niet meer zelf maar verpachtte kleine delen, jaarlijks te ontginnen:”Men gaf ieder 25 roeden steen jaerlijks uit  te graven, 80 rijns gulden, ingegaen April 1457, te betaelen aen Claes van den Diele om daer mede te betaelen de annoten tot Romen 400 croenen, elck tegen 6 schellingen groot Brabants geld.  Gereckend ieder roede tot 30 vierkant voeten (16).  De eerste vermelding over verpachting vinden we in 1457 maar het moet al vroeger gebeurd zijn want in 1456 krijgen de pachters de vergunning de Affligemse werf aan de Dender te Herdersem, de Aart, te gebruiken.  Ze mochten er ook hun stenen opstapelen als die niet snel genoeg verkocht geraakten:”Aen de pachters van onsen steenpoel te Meldert wordt verleent de werf te Herdersem, daer men de steen te ontlaeden placht ende in cas dat sij de steenen soo haest niet konden vercoopen, dat die steen op de werf magh blijven liggen (17).

 

In Meldert gaat het poelen rond het Hof te Putte verder. In het Kravaalbos ontgint men de Mazelgraat en vanaf 1440 tot 1724 de Kerkberg op Koutertaverent te Asse (18).  Dat domein was tot aan zijn overlijden eigendom van notaris De Smet.  Voor de bouw van het stadhuis van Leuven levert Heinrich Crupelant, “proest van Groot-Bijgaarden” zandsteen uit de groeven aldaar.  De priorij stond tot 1242 onder voogdij van Affligem en de steenontginning daar en in Dilbeek is waarschijnlijk aan Affligem te danken, net zoals in Vorst, een andere afhankelijkheid van de abdij (19).

 

 

Godsdiensttroebelen

Na de drukke activiteiten van de 15de eeuw, volgt een betrekkelijk rustige periode.  In 1530 is er nog een vermelding van een verpachting van steengroeven.  Willem Vrominck verkoopt in 1534 – 1535 steen uit de groeve van Boekhout voor pilaren van de Aalsterse St.-Martinuskerk.  De poelen van de Putberg zijn in verval maar het schepencollege van Asse haalt nog een contract binnen voor de bouw van de grote kerk van Rotterdam (20).  Men denkt overigens dat de groeven uitgeput zijn.  In de abdij zelf worden gedeelten in baksteen opgetrokken, ondermeer het oudste gedeelte van het Bisschoppenhuis.  De tweede helft van die eeuw wordt gekenmerkt door godsdienstoorlogen.  De geuzen plunderen de abdij in 1578 en steken ze in 1580 in brand.  De monniken vluchten weg en zijn zo’n kwarteeuw op de dool.  Ondertussen woont bosmeester Franciscus Lemmens in de puinen van de abdijgebouwen en gebruikt hij de kerk als schuur.

Hoop op betere tijden

 

Pas in 1609 ontstaat er hoop op betere tijden wanneer het Twaalfjarig Bestand wordt gesloten.  Na decennia van brandstichtingen en plunderingen kan de bevolking aan de restauratie van de verwoeste gebouwen beginnen.  Aartsbisschop Hovius, ook abt van Affligem, laat zowel te Laken als te Meldert een steenpoel openen voor de bouw van de basiliek van Scherpenheuvel.  Er worden ook stenen geleverd voor de St.-Caroluskerk te Antwerpen.  “Item voorders uitgepoelt 2244 voet soo balcksteen, herderick als grondsteen, van welcke beste vercoght sijn aen de Jesuieten van Antwerpen 1322 voet ½ balcksteen tot 15 schellingen den voet, beloopende die somme fl. 991 – 17 – 2 (21).  Om de kosten van de uitbating te dekken verkoopt de abdij nog stenen voor de Finisterrae (22) en de O.-L.-Vrouwkapel in St.-Goedele te Brussel en voor de Jezuïeten te Mechelen.  Maar de kerkmeesters van St.-Goedele bleken slechte betalers. In 1680 waren ze nog 1200 g. aan de abdij schuldig en het is niet zeker of ze ooit betaald hebben.  Ook de Jezuïeten hadden in 1672 hun rekening  nog niet voldaan (23).

 

 Voor de restauratie van de eigen abdij heeft “Sijne Hoogweerdigheit Hovius … geschonken de gelasen tot 9 pant vensters in ’t clooster van Afflighem.  Daertoe van den steenpoel gelevert tot de harnasten der vensters 39 voyeren steen, ende de steenen waeren voorder geordonneert  voor de 21 resteerende vensters”.  Verder zijn er in 1619 uit de groeven van Laken “nogh getrocken 4284 voeten steen, soo balck, herderick als grondsteen, waervan een deel tot Afflighem verbruyckt syn aen de vensters van de pant.  Voorder vercoght over 25 000 gulden en er bleef nogh een groot deel in de loeghe; noch veele duysende voeten steen syn aldaer getrocken” (24).  De uitbating duurde tot 1657.  Dan is er sprake van bebossing “op de ses bunders der oude en nieuwe poelinghe”.  Hoewel uit de overeenkomst tussen de monniken en de aartsbisschop op 18 maart 1662, waarin melding wordt gemaakt van de verkoop van een stuk land van 5 dagwand in Laken, blijkt dat nog uitgepoelde steen “jeghenwoordelijck ligghende aldaer op de storten” (25).  Voor de heropbouw van de kerk, begonnen in februari 1623, leveren Steven en Peeter van Moelders 14 vrachten uit de groeven van Meldert.  Ook particulieren herstellen hun verwoeste gebouwen o.a. de bewoners van de Bellemolen, het Hof ter Saele, de Blakmeershoeve (in 1649) en het Hof ten Eenhoorn in Asse.  In veel gevallen kopen ze zandstenen voor de voeting en voor deur- en raamomlijstingen.  De abdij bezat ook steengroeven in Merchtem.  Het Thiendeboeck van 1642 vermeldt een steenpoel en volgens het Caertboeck van 1705 – 1750 had de abdij gronden op de Meerpoel (5943 ½ r) op de Kloosterputten (220 ¾ r)  en in de streek aan de Meerpoel (551 r).  Op de grens met Brussegem is er het Meerpoelbos waar in 1923 de overblijfselen van de steenpoel nog zichtbaar waren.  Zowel uit de typonomie (Steenpoel, Meerpoel, Kloosterputten, Meerpoelbos, Hof te Steenberg, Steenberg en Kalkoven) als uit de overlevering blijkt het bestaan van de steengroeven (26).

 

Rond 1650 schijnt alle activiteit in Meldert voorbij te zijn en dom Odo Cambier schrijft in zijn geschiedenis over de abdij dat de steengroeven verlaten zijn (27).  De abdij laat kareelstenen bakken en koopt daarvoor “houlie van Charleroy” aan 24 stuivers per 1 000 (28).  Toch worden er nog zandstenen gepoeld in Asse.  Van 1641 tot 1697 is er een uitbating op Vrijthout en van 1642 tot 1717 op de kleine Putberg (29).  In 1656 verwisselt de abdij gronden te Zellik met “den Heer raet fiscaal De Heere” om er stenen uit te poelen (30).  De ontginning ten zuidwesten van het dorpscentrum duurt tot 1663.  In die tijd werd de Overslagstrate gekasseid “met steenen aldaer op onsen grond getrocken”.  Een werk dat 13.000 gulden had gekost, de stenen niet meegerekend (31).  In 1663 ontdekt men een nieuwe groeve te Zellik waaruit de Jezuïeten van Mechelen “12 ½ roeden arduyn hebben gehadt tot fl 1200”.  Een halve eeuw later is er daar nog sprake van “stortbergen ende poelingen” (32). 

  

In 1672 worden nieuwe groeven geopend te Asbeek-Putberg.  De stenen dienen voor de restauratie van de St.-Martenskerk te Doornik en voor het sas van Slijkens te Oostende.  Het zijn grootse werken want voor de vele werklieden richt men noodwoningen op.  De abdij verkreeg voor hen vrijstelling van accijnzen op bier.  Voermannen brengen de stenen naar de Dender in Aalst en ze worden daar verscheept.  De exploitatie duurt 2 jaar.  De laatste vermelding van een nieuwe steengroeve in Asse dateert van 1697, namelijk die van de Kruiskouter tussen Asse en Bekkerzeel (33).  Ondertussen was pachter Van Bever al begonnen met de slenken op het domein van het Hof van Ossegem op te vullen.  Hij kreeg daarvoor een korting van huurgeld voor 6 jaar (34).

 

De aanleg van de steenweg Brussel – Aalst in 1704 betekent een opmerkelijke verbetering van het handelsverkeer.  De ordonnantie van 2 april 1704 bepaalt dat” sijne Majesteit … bij advys van synen raede (heeft) besloten dat het paveysen ende de sponnen tot de casseywegh ende steenen tot de bruggen ende riolen sullen gecoght ofte getrocken worden uyt de naest gelegen steenputten ende rotsen daer die casseywegh sal door passeren by estimatie (35).  Tussen 1710 en 1730 bouwen de zusters van Asse een nieuw gasthuis.  De rekeningen vermelden meerdere malen het poelen van Ledische zandsteen.  De abdij laat in 1718 de oude St.-Benedictuspoort, gebouwd in 1613, afbreken en vervangen door het huidige zandstenen gebouw.  En het poelen gaat nog door.

 

Stenen voor de nieuwe abdij

 

In 1765 worden groeven op de Boekhoutberg en te Essene geopend, in 1769 ook te Meldert   Op 12 december 1768 aanvaardt de communiteit het tweede plan van L. Dewez voor een nieuwe abdij.  Proost Beda Regaus legt op 7 mei 1770 plechtig de eerste steen.  De oude middeleeuwse refter die niet meer werd gebruikt en al gedeeltelijk was omgebouwd tot kamers en recreatiezaal, samen met 3 vleugels van de kruisgang liet hij afbreken en de grondvesten van reeds verdwenen gebouwen uitbreken.  Het afval werd tot kalk verbrand.  Uit de bewaard gebleven rekeningen van de nieuwbouw kan men opmaken dat in 1777 – 1778 de abdij 4 444 fl. aan de steenpoelders betaalde, 1 166 fl. 14 st. 2 o. aan de steenkappers en 958 fl. aan de kareelbakkers (36).  Op 19 oktober 1777 betaalt ze nog 156 fl. en 14 sch. Voor het “repareren van de pompen aen den steenpoel en het maken van nieuwe pompen” (37).  In 1780 is een groeve blijkbaar uitgeput want nu wordt 500 fl. betaald voor het vullen van een put op de Steenpoel (38). 

 

Omstreeks deze tijd moet Beda Regaus aan de Kluisdreef de “Apotheek” hebben laten oprichten naar de plannen van hun architect L. Dewez en met stenen uit de poelen van Mazits of uit die van de Boekhoutberg, het huidige  domein Verbrugghen, althans volgens  R. De Schrijver.  Hij beweert ook dat het zeshoekig gebouwtje dat erbij hoorde een brandewijnstokerij was.  Waartoe die nieuwbouw diende, is niet duidelijk, volgens de volksoverlevering heeft men altijd over de Apotheek gesproken.  De Hekelgemse burgemeester De Doncker liet in 1813 het vervallen gebouw steen voor steen afbreken en in de Kerkstraat opnieuw optrekken, het diende als woonhuis en gemeentehuis.  Hij woonde er tot aan zijn dood in 1831 (39).  Maar dom Wilfried Verleyen heeft daar heel wat bedenkingen bij.  In de geschriften van dom Beda Regaus vindt hij er geen enkele vermelding over en ook niet in de plannen van L. Dewez.  Op de Ferrariskaart (1778) staat, behalve de Kluiskapel geen enkel gebouw aan de Kluisdreef.  In 1985 werd de Apotheek afgebroken en dat niettegenstaande het verzet van de Heemkundige Kring Belledaal en zijn voorzitter Leo De Rijck.  Daarmee verdween een der mooiste huizen uit Affligem dat met zijn classicistische stijl met barokinvloeden en zijn zandstenen structuur nog een getuige was van een groots verleden.  In 1783 werd de abdij door het Oostenrijks bewind verplicht een paleis te bouwen nabij het park van Brussel.  De kosten voor het leveren van de steen uit de Donderberg te Laken bedroegen in 1784 zo’n 13 640 g. en 10 246 g. een jaar later.  Dat gebouw bestaat nog en is nu het Huis van de Franse Gemeenschap.  In 1786 werd er nog gepoeld en later ondernamen particulieren nog enkele pogingen.  De groeven bleven lang in het landschap te zien en pas sinds de infrastructuurwerken voor de wereldtentoonstellingen van 1935 en 1958 blijft er niets meer van over.

 

Einde van de zandsteenwinning

 

Met de komst van de Franse legers in 1793 werden alle bouwactiviteiten gestopt.  Na de opheffing van de abdij in 1796 liet de bezetter alle nog niet verwerkte stenen op schepen laden om ze tot kalk te verbranden.  Er waren 60 schepen nodig om de hele voorraad weg te voeren (40).  Na de Franse overheersing kwamen er nog enkele ontginningen op beperkte schaal, zoals te Meldert tussen 1854 en 1889 voor het herplaatsen van de stenen borstwering omheen het hele dak van de Aalsterse St.-Martinuskerk (41).  Maar toen de monniken in 1889 in de gevel van het Bisschoppenhuis de toegangspoort maakten, gebruikten ze gobertangesteen voor de omlijsting en geen zandstenen uit de eigen streek.  Na meer dan 6 eeuwen was er immers een einde gekomen aan de zandsteenwinninng, een activiteit die onze streek zo ingrijpend veranderde.

 

 Voetnoten

 

  • VERBESSELT J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, IV, 1965, Pittem, p. 108 – 109.
  • PODEVIJN R., De Steengroeven van Affligem, Bijdragen tot de Geschiedenis, XIV, 1923, p. 324.
  • BUNGENEERS J., De romaanse O.-L.-Vrouwkerk, in: De kathedraal van Antwerpen, Mercatorfonds, 1963, p. 103.
  • DE MARNEFFE E., Cartulaire d’Affligem, Leuven, 1984 – 1901, p. 132.
  • VERLEYEN W., Meldert. Geschiedkundige verhandeling met inventarisatie van zijn straten en gebouwen, Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis, 1980, p. 125.
  • VERBESSELT J., o.c., V, p. 181.
  • PODEVIJN R., o.c., p. 385.
  • VERMOESEN B., Waalse kolonisten in Teralfene en Hekelgem?, Info-Belledaal, jg. 16, nr. 5, p. 7 – 10.
  • Neerwaver in 1092, Frasnes in 1096, Sint-Andries in Brugge in 1100, Vorst in 1106, Maria Laach in 1111, Bornem in 1129, Vlierbeek in 1127, Groot-Bijgaarden in 1133.
  •  In de 12de eeuw: Asse, Baardegem, Essene, Hekelgem, Meldert, Moorsel, …
  •  Midden 13de eeuw bezat de abdij al 53 hoeven, de meeste in Waals-Brabant.  Binnen de muren had ze een eigen hoeve, te Essene 3, te Hekelgem 5, te Meldert 7 en te Teralfene 5.  Natuurlijk niet allemaal gelijktijdig.   VERLEYEN W., Abdijhoeven, Jaarboek Belledaal 1986, p. 40 – 52.
  •  VERBESSELT J., o.c., V, p. 181.
  •  GHISLAIN J.-Cl., Ons Graafschap, jg. 30, nr. 1-2-3, p. 35.
  •  MERTENS R., Geschiedenis van Essene, p. 27.
  •  VERLEYEN W., Negen eeuwen Affligem 1083 – 1983, Abdij Affligem, 1983, p. 226.
  •  VAN LANGENDONCK L., Het verhaal van de bouw, in: De kathedraal van Antwerpen, o.c., p. 115.
  •  REGAUS B., Bona et Jura Monasterii Affligemensis, in : Fontes Affligemensis,dl 20, Affligem, 1966, p. 64 – 65.
  •  Ibidem p. 194.
  •  Steenrijk Dilbeek, o.c.  Groot-Bijgaarden veruurde op 13 maart 1531 een steenpoel in Merctem.
  •  RYDANT R., Steengroeven in Asse, Ascania, 1977, nr. 3, p. 95 – 100.
  •  LINDEMANS J., Het landgoed Ossegem, ESDB, jg. XIV, p. 42 – 64.
  •  SACRE M., De Steengroeven van Affligem, De Brabander, jg. 3, nr. 6 – 7, 1923, p. 122 – 124.
  •  Acte van Accordt ende Decreet daeropgevolght in den Raede van Mechelen 18 maart 1662, zie: De Brabander, jg. 3, nr. 6 – 7, p. 120.
  •  Item uyt den selien steenpoel vercoght voor O.L. Vrouw van Venstersterre hoc est finis terrae Bruxellensis voor fl. 877 – 1 – 0.  LINDEMANS J., o.c., p. 42 – 64.
  •  Acte van Accordt, zie voetnoot 23.
  •  REGAUS B., Directorium abbatiae Haffligemensis, p. 215 – 216.
  •  DOM Odo Cambier schreef zijn vaak geciteerde tekst over de steengroeven voor 1650.
  •  REGAUS B., Directorium, p. 357.
  •  RYDANT R., o.c., p. 95 – 100;
  •  REGAUS B., Bona et Jura, p. 408.
  •   ANONIEM, Historia Affligeniensis, Fontes Affligemensis, 1966, p. 32.
  •  REGAUS B., Bona et Jura, p. 408.
  •  RYDANT R., o.c., p. 95 - 100.
  •  LINDEMANS J., o.c., p. 42 – 64.
  •  DE GRAEVE A., Geschiedenis van Asse, p. 296.
  •  VERLEYEN W., De Abdijgebouwen van Affligem 1083 – 1796, Ascaniabibliotheek, nr. 31, 1973, p. 78.
  •  Handboek van Hoffmeesterschap, Abdij Affligem, p. 70.
  •  Ibidem, p. 76.
  •  DE SCHRIJVER R., Jozef De Doncker (1780 – 1831) Burgemeester van Hekelgem, Jaarboek Belledaal 2001, p. 84 – 85.
  •  PODEVIJN R., o.c., p. 384 – 395.
  •  COURTEAUX F., De Sint-Martinuskerk van Aalst, Gent, 1997, p. 19.

 

 Waalse steenkappers in onze streek?

 

In het Land van Asse, het gebied van de steengroeven, komen er heel wat Romaanse, d.w.z. Middeleeuws-Franse toponiemen voor.  We kunnen spreken van een taaleiland zo’n 25 km boven de taalgrens (1).  Hebben deze plaatsnamen te maken met de ontginningen van de zandsteengroeven?  Volgens Jan Lindemans wel (2).  Hij dacht dat de Waals-Picardische immigranten, naamgevers van de vreemde toponiemen, hier gekomen zijn door toedoen van de abdij Affligem.  In 1086 werd haar eerste kerk gewijd en door de snelle groei van de kloostergemeenschap kon ze voortdurend nieuwe gebouwen oprichten.  Om de tekorten van de exploitaties te drukken, verkocht ze ook massaal stenen.   Zandstenen poelen vereiste heel wat arbeiders, steenkappers in ’t bijzonder en in de streek waren die niet voorhanden, zelfs de vakkennis was er niet meer.  Dus lieten de abten Waalse steenkappers overkomen.  Die vaklieden vestigden zich in “Huizekens” (een gehucht van Meldert), gegroepeerd in wijken rond de groeven: Nievel, Doment (in Meldert), Mattein, Mazits (in Hekelgem), Heet, Verduin, Morette, Spireit … (in Asse).   Lindemans spoorde de Romaanse toponiemen op en vond er 50 voor Asse, 10 voor Essene, 20 voor Hekelgem en Teralfene, 12 voor Meldert en 4 voor Zellik.

 

Andere historici zoals dom Wilfried Verleyen en Jan Verbesselt hebben bedenkingen bij veel van Lindemans’ verklaringen.  L. Van Durme beweert zelfs dat de immigratie plaatshad voor de stichting van de abdij en op initiatief van de toenmalige heer, de hertog van Lotharingen (3).  Hij baseert zich hiervoor op taalkundige elementen, nl. de evolutie van de Romaanse klanken en op onderzoek van de eigendomstitels van de plaatsen die Romaanse namen dragen.  De meeste Waalse toponiemen waren immers in de 12de eeuw al in omloop.  In het midden van de 11de eeuw was de westgrens van het hertogdom geteisterd door de voortdurende oorlogen met de Vlaamse graven.  Wellicht wilden zij de grens versterken door kolonisten aan te trekken.  In deze optiek is het niet duidelijk of de zandsteenontginning er gekomen is door de aanwezigheid van de kolonisten, door een initiatief van de hertogen of onder impuls van de abdij.  Feit is dat de toponiemen er zijn en dat een aantal betrekking heeft op stenen poelen of op de landbouw die volgde na de ontginningen. 

 

Enkele voorbeelden tonen dat aan:

Asse: Bajoul = baliolum of balie, slagboom;
          Kespier = chassepierre;
          Marlier = van maerlière (1356) of marlière, mergelput;
          Mazier = van mesure (1440), kleine hofstede;
          Prieel = van prudeel (1356) of praiel, kleine weide;
          Rouweyt = van ruette, straatje.

Essene: Foost = steengroeve;
             Forsyn = tweesprong van wegen;
            Montil = berg;
            Pirresbeloc = beluik waar steen voorhanden is;
            Rosiere = rietland;
            Semelaar = van somerlier, voerman van lastdieren.
Hekelgem: Blakeise, picardische plaatsnaam, Blakmeers;
                   Fossel en Fosseel = van fosselle, grachtje;
                   Mazits = van Messancy, plaatsnaam;
                   Morette = mutette, muurtje, picardisch;
                  
Meldert: Kravaal = car (steengroef) + vaal (dal);
              ’t Labeurs = van labours, ploegstand;
              Mutsereel = marcerella, kleine muur;
              Nievel = noville
              Terwenberg = van tier, tierne, heuvel;
               Travoilleveld = plaats waar de zandstenen werden bewerkt.

 

Op de Pieternellenberg, op de grens van Meldert met Baardegem stond tot 1922 de kapel van de h. Petronilla, patrones van de steenkappers.  Het was een oude kapel die al in 1625 en nadien in 1760 en 1781 werd herbouwd.  Het was een belangrijke kapel die veel bedevaarders trok, in de 18de eeuw kwamen er nog pelgrims uit Antwerpen en Mechelen.

Maar, zoals reeds vermeld,  niet iedereen is het met de uitleg van Lindemans eens.  F. Van der Jeught heeft een aantal tegenstrijdigheden in de verklaringen van de deskundigen op een rijtje gezet (4). 

 

Enkele voorbeelden:

Mazier = kleine hofstede, Lindemans;
               van mansua, woonplaats, Van Durme;
               van maz, woonplaats van joden, Van der Jeught;

Mazits = van mansicium, woning, Carnoy;
               van Messaney, plaatsnaam, Lindemans;
               van mazi, Oudwaals, plaatsnaam, Van Durme;
               of van Masische, familienaam, Van Durme;
               van maz, woonplaats van joden, Van der Jeught.

Andere, niet-Waalse toponiemen, verwijzen rechtstreeks naar de zandsteenontginning: Hof te Putte, Putberg, Klapstraat (Meldert, waar kopers en verkopers de steen verhandelden, idem voor Koopmansstraat),  Huizekens, Poel, Poelbos, Poelstraat, Steenland, Steenpoel,Steenbeek, Steenmeersen, Steenmorette, Steent, Stenensveld.

Wat kunnen we besluiten?  Dat er Romaanstalige immigranten waren en dat een aantal onder hen betrokken was bij de zandsteenontginning en de landbouwexploitatie nadien.  Maar alles trachten te verklaren vanuit de optiek van de steenkappersfamilies blijft op zijn minst problematisch.

 

 

Voetnoten

 

  • VAN DURME L., Taaleilanden en –enclaves, in: De taalgrens, van de oude tot de nieuwe Belgen, Davidsfonds, Leuven, 1966.
  • LINDEMANS J., Toponomie van Asse, Brussel, 1952.
  • VERMOESEN B., Waalse kolonisten in Teralfene en Hekelgem? Info-Belledaal, jg. 16, nr. 5, p. 7 –10.
  • VAN DER JEUGHT F., Enkele toponiemen tussen Asse en Aalst, relicten van de aanwezigheid van joden in de Middeleeuwen? Een hypothese, in: ESDB, jg. 1999, nr. 10-11-12, p. 391 – 402.

 

        

 Monument en museum

 

Dat de zandsteenhandel zo’n enorme expansie heeft gekend was aan meerdere factoren te wijten:

  • de aanwezigheid van de abdij Affligem als opdrachtgever en financier;
  • het grote aantal groeven verspreid over een gebied tussen de Donderberg (Laken) en de Boekhoutberg (Hekelgem) waardoor omvangrijke partijen steen beschikkbaar waren;
  • de relatief gemakkelijke ontginningen op geringe diepte;
  • de vlotte bewerking van pas gepoelde stenen.

 

Het nadeel van de zandsteen, de vorstverwering is een aspect dat pas na eeuwen aan het licht komt.

Van de vele Affligemse groeven blijft er hier en daar nog een spoor in het landschap over: een vijver in het Kravaalbos te Meldert, een slenk op het domein Verbrugghen of nog een heuse put aan de Moretteweg te Hekelgem.  Gelukkig zijn er een paar decennia geleden twee initiatieven genomen om de herinnering aan de zandsteenontginning levend te houden.  In 1978 werd onder impuls van Lambert Van de Sijpe op de Meldertse dorpsdries een hoge zandsteen opgericht als een monument voor de steenpoelers.  Drie jaar later liet dom Idesbald Verkest, beheerder van het Cultureel Centrum Abdij Affligem, in de vroegere maalderij op de abdijhoeve een archeologisch museum inrichten.  Het museum toont de resultaten van opgravingswerk begonnen in 1974.  Naast gebruiksvoorwerpen als steengoedkruiken en zalfpotjes zijn er zeldzame tegels te bezichtigen.  En ook sierlijk bewerkte zandstenen uit de 12de eeuw als een laat eerbetoon aan de steenkappers en beeldhouwers die eertijds onze streek aanzien en vermaardheid gaven.

 

 Met dank aan dom Wilfried Verleyen voor de nuttige tips en voor het nalezen van de tekst.

 

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com