home   kalender   informatie   uit in groep   wandelen   fietsen   artikels   contact     
Fietsen huren  
Fietsrouteplanner  
Fietslussen  
Fietsnetwerk  
Mountainbike route  
Dender en Waas route  

Toerisme Affligem Brabantse Kouters Pajottenland Kaart met interessepunten, bezienswaardigheden

Kaart van Affligem met de interessepunten

 

Kaart Affligem met interessepunten

Hoppevelden

      Sluiten   X   

In de streek van Asse-Aalst introduceerden de monniken van de abdij Affligem in de 12de eeuw de hopcultuur.

De hop behoort tot de familie van de Hennepachtigen. De hop is inheems in een groot deel van Europa. Als cultuurplant is de hop over bijna gans de wereld verspreid. De wetenschappelijke naam van de hop is “Humulus-lupulus”. De plant is rechtswindend d.w.z. dat de stengels zich winden met de wijzers van de klok mee, dus volgens de richting van de zon. De hop is een tweehuizige- en overblijvende of doorlevende plant die tientallen jaren oud wordt, en waarvan de stengels 5 tot 9 m lang worden; de hop is daarmee de langste kruidachtige klimplant. Er zijn mannelijke en vrouwelijke hopplanten. Het was steeds verplicht om mannelijke hopplanten te verdelgen.
Al vanaf 16 augustus 1926 was er een wetgeving in België die oplegde om alle mannelijke hopplanten te vernietigen. Het KB. Van 25 augustus 1971 schrijft voor dat: “iedereen die de aanwezigheid van wilde of mannelijke hop vaststelt in een strook van 5 km rond elk hopveld, deze plant vóór 1 juni moet verdelgen”.

Er zijn door de eeuwen heen vele soorten hop ontstaan. De laatste decennia is er zelfs een grote toename aan hopsoorten. De oudere rassen uit de streek van Asse-Aalst waren : Groene Bel, Witte rank en Coigneau. De hop heeft onze mensen welstand gebracht. Maar eer het zover was dat de bellen zich als begeerlijke vruchten lieten plukken moesten onze boeren zwaar labeuren. Dat deden ze ook want ze waren het gewoon. Maar het weer kwam vaak hun mooie werk verstoren, het was te nat of te droog of er was te veel wind, erger nog: als het stormde was het alsof de hopduivel in de hoplochting tientallen hopranken tegen de grond gooide, of erger nog ganse hopvelden neersmakte.

St.-Rochus is de hopheilige en werd alhier vereerd in de kapel op het gehucht Nievel te Meldert. Ook in Teralfene staat een kapelletje van St.-Rochus aan het begin van de Vogelzangstraat. Hier kwamen de boeren de hulp van deze heilige afsmeken om hun hopoogst te vrijwaren van alle kwalen zoals: het zwart, de plaag, rode spin, het wit en tegen de baldadigheden van de hopduivel (= stormwind). In 1516 werd te Aalst de “Koopmansnering van Sint-Rochus” opgericht. Deze nering had meer dan de hophandel alleen in handen, doch deze tak was wel de voornaamste. Van dan af concentreerde de hophandel zich in Aalst.
In de 15de eeuw is Vlaanderen het “Hopveld van Europa” en staat in voor ca. een derde van de wereldproductie. De hop werd uitgevoerd naar Engeland, Frankrijk, Duitsland en Holland. Waar in de 16de eeuw elke brouwerij haar eigen hop verbouwde, ontstonden later al snel hopmarkten om aan de toenemende vraag van hop te kunnen voldoen. De stadsbevolking, in deze eeuw, steeg snel en de bierproductie nam ook toe.

Er waren hopmarkten in Antwerpen, Ninove, Oudenaarde en vermoedelijk ook in Brussel. In 1613 is er de ordonnantie van de aartshertogen, dat er buiten het Land van Aalst geen hop als Aalsterse hop mag verkocht worden zonder eerst op de markt daar gekeurd en gemerkt te zijn. In de 18de eeuw concentreert de hophandel zich volledig in Aalst. De andere hopmarkten verdwenen. In de streek van Asse bestond de gewoonte vroeger, dat de pastoor vergezelt van de koster of kerkmeester, jaarlijks tijdens de pluktijd -in september- onze hopboeren bezocht om giften te vragen in natura, onder de vorm van gedroogde hop. Deze hop werd ten gunste van de kerk te gelde gemaakt. Dit gebruik bestond al in de 17de eeuw en bleef in gebruik tot na de 2de wereldoorlog.

In Asse was er een hopmarkt vanaf 1888 tot begin 21ste eeuw. Tot einde 19de eeuw kende de hopteelt hoogtes en laagtes. Zo betekende het verlies van de Duitse markt in de Napoleontische tijd een grote klap. De Amerikanen namen deze markt definitief in. De prijs daalde dramatisch en vele hopvelden werden gerooid. Bovendien was er na de afschaffing van het Ancien Regime geen regelgeving meer van  kracht die de kwaliteit garandeerde. Oneerlijke handel tierde welig.
Op 29 januari 1870 werd de koopmansnering van Sint-Rochus te Aalst ontbonden. Duitsers boden goedkopere hop aan van mindere kwaliteit. Uiteindelijk werd in 1886 in Aalst de Maatschappij van Sint-Rochus opgericht om tegemoet te komen aan de grote hopcrisis die onze streek teisterde. Er was maar één uitweg: de kwaliteit van de hop opnieuw verbeteren door betere technieken. Rond 1900 werden verschillende syndicaten en hopbonden  opgericht. Nieuwe hopsoorten deden hun intrede, zoals de Hallertau die door de Meldertse hopboer Karel Baert en de toenmalige abt van Affligem Godehard Heigl, afkomstig van Rottenburg (Beieren) Duitsland, werd ingevoerd. Uiteraard deden de 2 wereldoorlogen geen goed aan de hopteelt.

Vele bedrijven waren gemengd: alleen met de hopteelt kon men zijn boterham niet verdienen! Schaalvergroting deed zijn intrede. Rond de jaren 1920 werden staakvelden vervangen door draadvelden. Insecticiden, fungiciden, chemische meststoffen, semi-automatische droogtechnieken, enz., deden hun intrede. De grootste vooruitgang was de introductie van de mechanische plukmachines. In 1961 worden coöperatieven opgericht die nochtans niet konden verhinderen dat de hopteelt bleef achteruitgaan. Door bepaalde ingrepen van hogerhand en de aanhoudende lage prijzen na 1973, met uitzondering van 1980, werden vele hopvelden gerooid.

In 2006 zijn er in de streek van Asse-Aalst nog welgeteld 4 hopboeren actief, namelijk 2 in Meldert, 1 in Erembodegem en 1 in St.-Martens-Bodegem. In Hekelgem zelf bevinden zich nog enkele hopvelden die echter uitgebaat worden door een Meldertse hopboer. Ook in Poperinge gaat de hopteelt met rasse schreden achteruit. Alleen nieuwe toepassingen in de geneeskunde en de culinair steeds meer gevraagde hoppekeesten houden de hopteelt nog in leven. Het is te verwachten dat binnenkort de hopteelt een stille dood zal zijn gestorven. Spijtig dat zo’n mooie teelt verloren gaat.


Maria Mediatrix abdij

      Sluiten   X   

 

De benedictinessenabdij Maria Mediatrix is gelegen op de Potaardeberg, vlakbij het Kluisbos. Ze ligt in de schaduw van haar mannelijke evenknie. Nochtans heeft de abdij een geschiedenis met opmerkelijke facetten. De stichting dateert van 1921, maar de sobere gebouwen in Hekelgem werden pas betrokken in 1932. Ze dankt haar ontstaan aan Dom Franco de Weyls, later abt van Affligem, en de Nederlandse bekeerlinge Gertrudis Schim van der Loeff. als voortzetting van de oude benedictinessenabdij van Groot-Bijgaarden.

De idee voor een nieuwe benedictinessenabdij kreeg reeds vorm tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dom Franco de Wyels, prior van de Abdij Affligem, verbleef toen in Dourgne in Zuid-Frankrijk, waar zowel een mannen- als vrouwenabdij van de benedictijnenorde waren gevestigd. In 1919 stemde de communauteit van de Abdij  Affligem ermee in om, naar het voorbeeld van Dourgne, een eigen zusterabdij op te richten.

 

De zusters werden voor deze nieuwe stichting in Hekelgem gevormd in de abdij Sint-Scholastica te Dourgne (Fr.) maar vonden aanvankelijk een onderkomen in Heide-Kalmthout. In 1932 verhuisden de monialen naar Hekelgem en dom Franco De Weyls werd geestelijke leider. In 1946, bij de verheffing tot abdij, erkenden de kerkelijke overheden de stichting als voortzetting van de voormalige abdij van de H. Wivina in Groot-Bijgaarden en werd Gertrudis Molengraaf-Schimm van der Loeff eerste abdis.
 
In de relatief kleine gemeenschap traden heel wat intellectueel hoogstaande Nederlandse vrouwen in. Zij hadden vaak al een leven als religieuze achter de rug in apostolische congregaties en zochten naar een meer contemplatief leven. Zij voelden zich aangetrokken door de benedictijnenorde, die op dat ogenblik een tweede opleving kende. De jonge Nederlandse vrouwen plaatsten zich bovendien in het voetspoor van de eerste abdis, moeder Gertrudis, een merkwaardige vrouw. Schimm van der Loeff en was gehuwd met ingenieur Wim Molengraaff. Beiden bekeerden zich als protestanten tot het katholicisme en kozen radicaal voor de religieuze staat. Molengraaff werd picpus (de congregatie van pater Damiaan) en zij werd de stichteres van Hekelgem.


Na de Tweede Wereldoorlog telde de abdij meer dan 60 zusters. Alles stond in het teken van de rust en het reguliere leven. Het ging tenslotte om slotzusters. In 1969 stichtten 5 zusters de abdij “Onze-Lieve-Vrouw van Bethlehem te Bonheiden die een volwaardige uitgeverij bezit voor de uitgave van religieuze boeken. Maria mediatrix kreeg in de jaren tachtig een sierlijke voorgevel en een rank torentje.

De zusters waren actief in de hopteelt. Deze cultuur was een bron van inkomsten om hun bouwschulden af te betalen. Eind 1949 werden de voorbereidingen getroffen en in 1950 werd er voor het eerst geoogst. Wat primitief begon, kende stilaan vooruitgang. De handenarbeid werd verlicht door steeds nieuwere machines. De monialen deden zelfs mee aan prijskampen en behaalden meermaals prijzen met verschillende soorten.hop Uiteindelijk werd 1977 het laatste hopjaar en een jaar later kwam een ploeg vrijwilligers de hoplochting afbreken. De zusters haalden ook inkomsten uit hun hostiebakkerij en de verkoop van iconen.

 

Van de abdij met haar bijhorende landgoed van 10 ha werd in 1977 3 ha  verhuurd aan wijnbouwer Herman Troch en in 1999 werd de achtervleugel van het abdijgebouw verhuurd aan de vzw De Kluizerij, een centrum voor vorming en ontmoeting.

 

In 2006 zijn de zeven slotzusters in alle stilte verhuisd naar een woning in Leuven. De Kluizerij betrok ook de andere imposante abdijgebouwen en biedt zo een schitterend en onvergelijkbaar kader om vergaderingen, cursussen, jaar-activiteiten, herbronning of trainingsdagen tot een succes te maken, eventueel met overnachting.

Kluiskapel

      Sluiten   X   

De geschiedenis van de Kluiskapel gaat terug tot de 7de of 8ste eeuw. De H. Ursmarus, abt van Lobbes (Henegouwen) die in onze streek het geloof verkondigde, zou op die plaats een kapel hebben laten bouwen.


In 1085 kwam ze in het bezit van de abdij Affligem. Het huidig gebouw (1785) is slechts het koor van de verdwenen kerk. Het beeld van O.-L.-Vrouw, tronend boven het altaar tussen 2 engelen, wordt vereerd tijdens de begankenis van Beloken Pasen.

De glasramen beelden 2 legenden van de Kluis uit. Het glasraam links vertelt dat een monnik, mediterend over en psalm naar het bos wandelde en wel 300 jaar naar het gezang van een vogel bleef luisteren alvorens terug te keren naar zijn abdij. Het raam rechts toont ons dom Radulphus die al 16 jaar niet meer had gesproken en een geweldige abdijbrand doofde met de woorden: “Vuur sta terstond”. Hij zou in de kapel begraven zijn.

Dichtbij  bevindt zich het Kluizeputteken, een bron waaruit de Hekelgemse kindjes worden geboren. Als je dat gelooft, kun je, met je oor op de rand van de put, de kindjes horen schreien. Sinds 1976 hebben de Vrienden van de Kluis zich ingezet voor de restauratie van de kapel en het herstel van de begankenis.

Duivelsputten

      Sluiten   X   

 

Met de zandontginning, wellicht opgestart door de abdij Affligem, kende onze streek een totale ommekeer. Niet alleen het uitzicht wijzigde, er ontstonden heuvels en diepe groeven, vooral de samenstelling van de bevolking veranderde. Steenkappers, beeldhouwers, werklieden voor het graven en het vervoer stroomden toe. In de heuvels tussen Dender en Dijle en langs de oevers van de Zenne werden miljoenen jaren geleden kalkzandstenen gevormd.

Pas in de late Middeleeuwen kwamen de mensen tot ontginning om stenen woningen, kerken, belforten en stadhuizen te bouwen. Die zandsteen was zeer gegeerd omwille van zijn witheid, hardheid en bewerkbaarheid. Beroemde bouwmeesters als Peter Appelmans, architect van de kathedraal van Antwerpen, bezochten de steenpoelen. Zij zochten de beste steen uit voor specifieke toepassingen in hun gebouwen, bvb. Als dragend of als sierelement.

Het poelen begon  met het losmaken van de bovenste steenlaag gevolgd door het verkleinen van de steen tot transportbare blokken. Zo werd laag na laag uitgebaat tot er putten ontstonden, de huidige getuigen van de exploitatie.  De steen die niet ter plaatse voor onder meer de abdijgebouwen en  voor de parochiekerken werd gebruikt, werd met paard en kar naar de Dender gevoerd en vandaar ging het per boot verder naar vrijwel alle plaatsen in Vlaanderen, Brabant en het westelijk deel van Nederland.

Wat nu Balegemse steen heet, werd toen “goeden witten Haffelgemschen steen” genoemd. Voor het kappen van de steen werden zelfs steenkappers uit Wallonië en Picardië aangetrokken. Hun toestroom zou aan de basis liggen van heel wat Romaanse toponiemen in Affligem: Mattein, Mazits, Kavee, Montil …

In het midden van de 18de eeuw kwam er een einde aan de ontginningen omdat  de groeven uitgeput waren. De duivelsputten op de Boekhoutberg zijn nog duidelijke getuigen van deze verdwenen bedrijvigheid.

Molenhuis

      Sluiten   X   

Het molenhuis en nieuwe molen zijn de trots van het molenaarsgeslacht  De Vis. Het molenhuis werd onlangs gerestaureerd. De bakstenen molen staat op een hoogte van 72 m boven de zeespiegel en is gebouwd in 1827 door Jan-Baptist De Vis uit Meldert op de westflank van de Molenberg.



Hij is gebouwd met bakstenen uit de streek en bleef tot op heden eigendom van de familie De Vis. Deze molen, die terecht de stevigste uit de streek mocht genoemd worden, diende niet alleen tot het malen van graan maar werd in 1870 gebruikt om olie uit het koolzaad te persen. De molenaar had ook een dorsmolen in zijn schuur die door de windmolen aangedreven werd. Deze installaties die sinds 1869 in werking waren, staakten hun bedrijvigheid in 1920.



Eind 19e begin 20e eeuw werd bij windstilte een stoommachine gebruikt. Gedurende deze periode deed de kracht van de wind een pomp werken die de stoommachine, de stal en de woning van water voorzag. De molen werd eveneens ingericht voor het malen van haver en boekweit.



Begin 20e eeuw werd de stoommachine niet meer gebruikt omwille van de hoge kosten en draaide de molen opnieuw alleen door de kracht van de wind. De stoomketel bleef ter plaatse en voorzag de vergaarbak en de stal van water tot het einde van W.O. II.



In 1928 verving een oliemotor de kracht  van de wind. Op zijn beurt werd de oliemotor door een elektrische motor vervangen! Tijdens de tweede Wereldoorlog werd de molen zwaar beschadigd. Deze molen is buiten gebruik sinds 1952 en werd als monument geklasseerd.

 

In 1977 werd nog een poging ondernomen om de molen te restaureren. Dit mislukte door de hoge kostprijs en wie voor deze kosten zou moeten opdraaien. De eigenaars argumenteerden bij Monumenten en Landschappen, als particulier niet in staat te zijn de molen te kunnen vrijwaren tegen verval en zo werd de molen gedeclasseerd in 1992 door de toenmalige minister Waltniel. Deze prachtige molen bood bij helder weer een zicht op: Geraardsbergen, Ninove, Aalst, Dendermonde tot zelfs de LieveVrouwetoren van Antwerpen!…. Vandaag verkeert hij in een erbarmelijke staat en is bijna vervallen tot puin.

Oud Zandtapijt

      Sluiten   X   

1873.
In de gelagkamer van Den Distel is het weer een drukte van belang. De mensen verdringen zich om toch te kunnen zien wat Adèle Callebaut op de stenen vloer rond de kachel weer gestrooid heeft. Met wit, later ook met gekleurd zand, kopieerde zij schilderijen van oude meesters. Weldra kreeg Adèle zo’n faam als zandkunstenares dat ze ook in het buitenland werd uitgenodigd.

De naam van het café veranderde in Zandtapijt.
Na Adèle verwierven haar zus Victorine en haar nicht Maria eveneens faam met hun zandtapijten.

Roger De Boeck ontwierp nieuwe tapijten en oogstte zowel in binnen- als buitenland groot succes met zijn portretten.

Zus Elise, zelf verdienstelijk zandkunstenaar, komt de verdienste toe zoveel mogelijk van de zandtapijtkunst van weleer bewaard te hebben in haar museum (Brusselbaan 56 – 58)
en dochter Greet zet de familietraditie verder maar bewandelt toch een heel eigen weg. Zij stelt ten toon in het Oud Zandtapijt (Brusselbaan 92).


Hoeve De Witte

      Sluiten   X   

De hoeve is een semi-gesloten hof uit 1752 met geplaveide binnenkoer waarvan een deel van de stallen werd afgebroken of verbouwd. De grote inrijpoort is overluifeld met een schilddakje en heeft een zandstenen rondboog. De woning heeft één bouwlaag en een zadeldak met laadvenster. De zandstenen kruisvensters en de mooie steekboog-deur geven het huis een zekere grandeur. Het is een witgekalkte baksteenbouw met gecementeerde plint. Op de binnenkoer is nog de vierkante schouw te zien van de 19de-eeuwse stokerij. De verbouwingswerken in 1975 – 1976 veranderden het interieur om er een drankgelegenheid van te maken. Een tijd lang was het een populaire taverne maar nu is het een restauratieatelier voor meubelen.

 

De hoeve dankt haar naam aan de familie De Witte die er woonde en vanaf 1686 aan de abdij vier generaties griffiers leverde. De griffier was een ambtenaar van het leenhof en de schepenbank van de abdij die toezag op de toepassing van het leenrecht, de notulen verzorgde en akten van erfenissen of overdracht van goederen opstelde. Hij hield de inventaris van de abdij bij en leverde jaarlijks een afschrift ervan in bij de abt. Gezien zijn vertrouwensfunctie moest hij een eed van trouwheid afleggen.

 

Bij griffier Benedictus De Witte vond de laatste proost van de abdij, dom Beda Regaus, een schuilplaats nadat de monniken in 1796 uit de abdij verdreven waren en nog twee jaar op het kasteel Overham verbleven hadden. Hij kon er ook een deel van de waardevolste stukken van de abdij verbergen, o.a. het beeld van O.-L.-Vrouw van Affligem, de staf en de kelk van de H. Bernardus en het abdijarchief. Dom Beda stierf er op 90-jarige leeftijd in 1808. Toen in 1898 het beeld van O.-L.-vrouw vanuit Dendermonde, waar het in veiligheid was gebracht, naar Affligem terugkeerde, vertrok de processie van aan de Hoeve De Witte. De monniken wilden op die manier de familie die mee het beeld had gered eer betonen.

 

Op een avond vielen de sansculotten het hof binnen op zoek naar de proost die echter al in bed lag. Toen ze de oude man zagen, lieten de soldaten hem verder met rust. De volksfantasie dikte later het verhaal flink aan. Dom Beda zou in het echtelijke bed gelegen hebben met de pasgeboren baby van de boerin in zijn armen en met haar slaapmuts op. Bij het zien van zoveel ouderlijk geluk lieten de soldaten de jonge moeder met rust.

Oude Molen

      Sluiten   X   

 

De benaming “Oude molen” wordt gebruikt om deze molen te onderscheiden van de molen De Vis op de Boekhoutberg die in 1827 werd gebouwd. Al voor 1413 stond op deze plaats een houten windmolen die verpacht werd door de monniken van de abdij Affligem. In dat jaar was dien molen door eenen tempeest afgewaait  en de ondertresorier van Brabant verleende in naam van de heer van Brabant de toestemming om er een nieuwe molen op te richten mits betaling van een jaarlijkse vergoeding van drie penningen Lovens.  In 1633 kwam die met de woning en de stallen in privé-handen.

Een latere eigenaar, molenaar Petrus De Vis, werd op 26 mei 1706 samen met zijn knecht Adriaan door Franse soldaten op de molen vermoord. Drie dagen eerder had het Franse leger een nederlaag geleden te Ramillies, gelegen tussen Tienen en Namen.
De vrouw van de molenaar beviel diezelfde dag nog van een zoontje. Uit noodzaak hertrouwde de weduwe al twee maanden later met weduwnaar en molenaar Adriaan Van Lierde uit Waver en daarmee deed de familie Van Lierde haar intrede in Hekelgem waar zij nog gedurende meerdere generaties een belangrijke rol zal spelen.

In 1771 noteerde de Affligemse historicus Beda Regaus nog: ick meyne dat den wint van dien molen aan Hafflighem toekomt want alle jaeren moet den molder ons recognitie doen voor den molen ende anno 1771 gaf hij 32 gulden.

De huidige stenen  molen met steekboogvensters verving in 1785 de houten staakmolen. Hij werd gebouwd door de kleinzoon van Adriaan, nl. Jozef Van Lierde die nog datzelfde jaar stierf voor zijn levenswerk was voltooid. De molen is van het bovenkruiertype. Hij ligt op een hoogte van 74 m boven de zeespiegel. Door zijn strategische ligging en door zijn hoogte van 15 m werd hij vaak gebruikt als observatiepost gedurende de vele oorlogen. Om die reden werd hij dan ook vaak door doortrekkende legers beschadigd. Tijdens het Frans bewind werden er in het geheim doopsels toegediend, huwelijken voltrokken en  vluchtelingen vonden er onderdak.

In 1830 verkochten de kinderen van Jozef Van Lierde de molen. De nieuwe eigenaar was Jan Baptist De Vis, zoon van Judocus die de “nieuwe” molen op de Boekhoutberg had laten bouwen. Hij bleef tot 1952 in gebruik. De huidige eigenaar heeft de molen schitterend gerestaureerd en sinds 1994 ingericht als woning. Zijn voorouders kwamen hier graan leveren. Zelf moet hij af en toe echt molenaarswerk verrichten, om het verval van zijn merkwaardig huis tegen te gaan.

Dendersluis van Teralfene

      Sluiten   X   

In 1859 werd beslist om de Dender over in gans zijn loop bevaarbaar te maken voor schepen van 300 T. De sluis van Teralfene is 41,85 m lang en 5,20 m breed zodat schepen van 300 t kunnen geschut worden (door een sluis varen). Alles sluizen tussen Ath en Aalst hebben ongeveer dezelfde afmetingen. Al deze sluizen zijn bovendien nog altijd handbediend.

 

Zoals alle sluizen op de Dender is ook deze van Teralfene een stuwsluis. Dit betekent dat er naast de sluis een stuw ligt. In tegenstelling tot kanalen stroomt het water in de rivier. Bij gesloten sluisdeuren moet water de mogelijkheid hebben verder te stromen.

 

De Dender telt 12 sluizen en één getijdesluis in Dendermonde. Het verval (hoogteverschil) bedraagt 1,6 m tot 2,8 m. De sluis van Teralfene is de kleinste omdat het verval amper 60 cm is.

 

Het waterpeil in Aalst is 50 cm lager dan het waterpeil achter de sluis van Teralfene. Bij de geplande modernisering van de Dender zal de sluis van Teralfene hoogstwaarschijnlijk gesloopt worden. Het waterpeil stroomopwaarts zou dalen. Dit is positief voor de industrie en de inwoners die stroomopwaarts gevestigd zijn en regelmatig problemen hebben met wateroverlast.

 

In Teralfene ligt de enige Dendersluis van het grondgebied Vlaams Brabant.

Alvinneberg

      Sluiten   X   

Vluchtheuvel voor het vee?
Romeinse militaire vesting?
Begraafplaats?
Voorpost van de burcht van Liedekerke?


De Alvinnenberg, een cirkelvormige verhevenheid op de rechteroever van de Dender, roept nog veel vragen op.
In 1885 gedeeltelijk afgegraven heeft de “berg” nog een hoogte van ca 5 m en een diameter van 50 m.
En net zoals zijn oorsprong, blijft de naam even raadselachtig.

Volgens sommigen komt de naam voort van de nabijgelegen Bellebeek die vroeger Alfene heette.
Anderen beweren dat de heuvel de woning is van onderaardse geesten en kabouters.


Lourdesgrot in Teralfene

      Sluiten   X   

 

Vlakbij de kerk van Teralfene in de balleistraat vinden we de grot van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. De grot is opgericht uit zand- en kareelstenen die ter plaatse werden gebakken.


Achter de grot vinden we 15 kapellekens van de Maria-mysteries. Sinds meer dan een eeuw wordt deze rustige plaats, vooral in de meimaand, bezocht door de Teralfenaren om er O.L.Vrouw te vereren.

 

De grot is het werk van een plaatselijke landbouwer (Frans Temmerman en zijn vrouw Célestine) die om genezing baden van zijn zieke moeder 'bij ons lieve vrouwke' en verhoord werden. Hij zou als belofte eigenhandig een kapel bouwen, maar het werd een hele grot.


Op 29 juni 1885, feestdag van Sint-Pieter en Sint-Paulus werd de grot plechtig ingezegend.
De stichter en z’n vrouw werden door de plaatselijke fanfare, priesters schoolkinderen en congregaties in een stoet afgehaald.


Enkele meisjes droegen de beelden van O.L.Vrouw en Bernadette, eerst naar de kerk voor het lof, daarna naar de grot, waar grot en beelden werden gewijd. In 1935 werd het 50-jarig bestaan van de grot gevierd met het diamanten huwelijksjubileum van de stichters.


Roepsteen

      Sluiten   X   

In een tijd dat de meeste mensen niet konden lezen was de openbare bekendmaking van de wetten en voorschriften door een ambtenaar op openbare pleinen een absolute noodzaak.

De roepsteen, aan het muurtje van kerkplein, was de plaats waar de Belleman wetten, reglementen en andere officiële berichten aan de bevolking meedeelde. Tijdens de jaarlijkse Kermis Teralfene (de zogenaamde "Zotsfeesten") na de hoogmis van 10 uur, deed hij vroeger dorpsgenoten kond van wat er in het afgelopen jaar was geschied, en dat in onvervalst Teralfenes met de openingsroep:

Zotten van Tralfenen
Kom ketter, kom ketter
Kom le'steren nui de champetter
Volgest ne wet van Koizer Karel van Affligem
Mege men vanduig zoveel as in Hekelgem
De geméntje ei vanduig niks te zeggen
'tEs uin de zott'n om de wetten op te leggen
na moet ek ellen nog vertell'n
Wat er in Tralfenen valt te meljen...

Kerk van Teralfene

      Sluiten   X   

Ook gekend als de kerk van St.-Jan –de-Evangelist .
Het archief van de abdij vermeldt de kerk van St.-Jan in 1369.
In de zandstenen kruisbeuk uit 1652 liet pastoor De Vleeshoudere zijn monogram (HPDV) en zijn devies (Omnis Caro Foenum = alle vlees is hooi) aanbrengen.

Nieuwe verbouwingen vonden plaats in 1841 aan het koor en in 1895 aan de toren en het achterste gedeelte van de zijbeuken.
Het hoofdaltaar (1715) bevat het wapenschild van de familie (de) Blondel-du Bosch, die in de 18de eeuw de heer van Teralfene leverde.

De oudste eiken biechtstoel is van de 17de eeuw, de andere uit de 18de eeuw. De preekstoel (1838) is het werk van Andres Van den Haute, een plaatselijk kunstenaar. 

In de kerk vond het waardevolle mariabeeld, 'een sedes sapientiae', uit de kapel van O.-L.-Vrouw-ter-Nood, een veilig onderkomen. Het gepolychromeerde eiken beeld dateert van de 15de of begin 16de eeuw.

Elke tweede zondag van de maand is er na de eucharistieviering nog een sacramentsprocessie met flambouwen waarin de leden van de Broederschappen van de H. Drievuldigheid en van de H. Rozenkrans mee opstappen.


Gemeentehuis Bellekouter

      Sluiten   X   

Het Gemeentelijk centrum Bellekouter bevindt zich vlakbij de afrit 9 van de E40 aan het raakpunt van de drie deelgemeenten (fusie sinds 1977) met een administratief complex (1979), een sportcomplex met kantine, het politiekantoor (jaren ’80) en de evenementenhal met een nieuw verhard parkeerterrein (eind 2006). In deze evenementenhal hebben allerlei jaarbeurzen plaats o.a. ook “de week van het paard”(begin november).

Cultuurzaal Sanderus

      Sluiten   X   

In 1998 werd de nieuwe gemeentelijke cultuurzaal geopend. Het is een polyvalente ruimte die ter beschikking staat voor alle socio-culturele verenigingen. De grote zaal biedt ruimte aan 350 personen en kan door middel van een mobiele wand in twee ruimten gedeeld worden.

 

Boven de ingang, op het dak, een werk van de Affligemse kunstenaar Patrick Van Craenenbroeck.

't Sluis

      Sluiten   X   

Het prachtige herenhuis De Sluis heeft een oude geschiedenis. Op de sluysdamme aan de Sluisvijver waarvan al sprake is in 1170, 16 bunder groot, door een opgehoogde weg in twee verdeeld en omringd door dammen, een dubbele rij bomen en een ringgracht,  bouwden de monniken een huisje voor de preter, de boswachter, die ook de visvijver bewaakte. Rond 1720 – 1725 werd het lemen huis grondig verbouwd en kwam er ook een kamer bij waar de monniken een tot tweemaal per jaar konden komen voor hun ontspanning. Dat gebeurde voor het eerst in 1731 zoals een anker naast de deur met dat jaartal aangeeft. De bosmeester kreeg dan 6 schellingen drinkgeld en zijn maerte 2 schellingen. In 1735 liet men de vijver leeg lopen en de grond werd bezaaid met zomertarwe en gerst. Nadien kwam er een hoplochting.

In 1751, na de afbraak van de lemen woning, bouwden de monniken er een stenen huis met kapel. Zij vierden er in 1775 het 700-jarig bestaan van de abdij. Op 6 november 1797 maakte schatter en landmeter Charles Terrace uit Brussel in opdracht van de Franse overheid de inventaris op van het maison de plaisance, dite Sluys. De verkoopaffiche vermeldt dat la dite maison est composée de belle salle d’environ 32 pieds de longueur sur 22 pieds de largeur, une chambre, cuisine, cave et plusieurs cabinets à la mansarde n’ayant point d’ étage. Bij het huis hoorden ook de 2 vijvers met dijken (21 bunder) en 3 kleine vijvers met 150 jonge bomen. De geschatte waarde bedroeg 20 000 ponden. Op 12 mei 1802 kocht Guillaume De Clercq, handelaar uit Aalst het goed. Tot 1942 bleef het familiebezit. De Sluis veranderde nadien nog meerdere malen van eigenaar maar gelukkig bleef het fraaie uitzicht bewaard.

Bellemolen

      Sluiten   X   

De Bellemolen is een van de oudste molens uit de streek. Volgens een akte van 1189 lieten de monniken van de abdij Affligem in 1149 de Bellemolen bouwen.

Dat gebeurde niet op de Alfene – de oude benaming voor de Bellebeek – omdat er te weinig verval was.  Via een nieuwe gracht van 2 km werd het water van de Alfene afgeleid vanaf de monding van de Asbeek (vroeger Avenellebeek).  Noord-oost van de molen werd een grote vijver aangelegd om de watertoevoer beter te kunnen regelen. Voorbij de molen stroomde het water naar de oude bedding terug.  Althans dat was het plan maar door een fout bij de bepeiling van het niveau liepen de gronden langs de oevers van de Alfene onder water. 

De monniken maakten dan maar van de nood een deugd.  Rond het deel van het ondergelopen broek dat hun eigendom was, bouwden ze een dam met een dubbele rij bomen en zo bekwamen ze een uitgestrekte visvijver van 16 bunder.
 
Op de westelijke dam richtten ze het huisje van de bospreter op, de man die belast was met het toezicht op de visvijver en de savoren, de putten waarin men de vis bewaarde.  De geschiedenis van dat huis is te lezen in “De Sluis”.

Moeilijker lagen de zaken met het ondergelopen deel aan de overkant.  Dat gebied behoorde toe aan de heren van Denderleeuw en de problemen die daaruit volgden duurden ruim 40 jaar.  Het was pas in 1189 dat er een einde kwam aan de betwistingen. 
Het akkoord dat toen gesloten werd, levert ons heel wat informatie op.  Zo vernemen we dat het hof boven de molen gelegen in bezit was van de maalders en geen eigendom van de abdij was.  Wel moesten de maalders elk jaar met Kerstmis 2 hoenderen betalen aan de meier van de heer van Denderleeuw en 2 aan de meier van de abdij.  Het gaat hier zeker om het Hof te Belle, later het Hof te Brempt genoemd.

De molen heette eerst Molen te Belle.  Een belle of balie was een slagboom die toegang verleende tot een omheind land.
 
De oudst vermelde pachter is Jan De Muldere.  In 1371 pacht hij de molen voor 10 mudden tarwe en 32 mudden rogge.  Toen hij een nieuwe molensteen liet aanbrengen, kreeg hij een mudde tarwe afslag.  Gheeraerd Van Vaerenbergh pacht de molen in 1507 samen met het Hof te Belle.  Zijn zoon Franchoys, gehuwd met Maria Wambacq, volgt hem op in 1529.  Na de dood van Franchoys trouwt zijn weduwe met Jan Verleysen die in 1549 als pachter bekend staat.  In 1556 is Thomas De Bruyne de pachter.  Jan Van den Eeckhout komt op de molen in 1561.  Na hem is de familie Van Vaerenbergh weer aan de beurt, nl. Geeraerd, de zoon van Franchoys.  Hij was ook boer op het Hof te Belle en verliet het bedrijf waarschijnlijk na een plundering.  Zijn schoonzoon Gillis De Witte volgde hem op.  Gillis was kerkmeester van Essene in 1572, buitenpoorter  van Aalst en meisenier van Grimbergen in 1574.  Voor hij zich op de Bellemolen vestigde, was hij molenaar op de Ijzerbeekmolen te Asse.  Hij overleed te Essene voor 1612.  Van zijn broer Jan stammen de latere griffiers De Witte van de abdij af.
 
De oudst gekende molenaar uit de familie Van de Putte is Jasper die waarschijnlijk de molen  huurde vanaf 1707 .  Voor hem was  de weduwe Jacques Van Droogenbroeck de huurster.  Maar het is niet uitgesloten dat er voordien al Van de Puttes op de Bellemolen waren, nl. Arnold, de oudst gekende Van de Putte.  Hij overleed op 20 september 1662.  Was hij al molenaar op de Bellemolen?  En na hem zijn zoon Joannes? Peter Van de Putte geboren in 1686 neemt in 1716 het molenbedrijf van zijn vader Jasper over. Na de dood van Peter moest de oudste zoon Philip, pas 17 jaar, voor het bedrijf zorgen. Zijn zoon Philip noteert in het memorieboek dat zijn  vader is verongeluckt ende verdronken in de beke ontrent eenen boogscheut van syn huys. Hij was pas 55 jaar

Philip overleed op 18 februari 1780, pas 56 jaar.  Zijn weduwe Barbara Eeman leidt nu het bedrijf tot haar dood in 1806. Wanneer in december 1796 de abdijgoederen door de Franse overheid worden aangeslagen, komt ook de Bellemolen in Franse handen. In 1798 volgde de verkoop, het hele bedrijf werd geschat op 25 670 livres.  Jan Baptist, de oudste zoon, bood in naam van zijn moeder 19 255 livres tijdens de eerste zitdag op 12 germinal an 6.  Op de tweede zitdag kwam er geen tegenbod en de Bellemolen werd aan Jan Baptist toegewezen. Daarmee waren de Van de Puttes de enigen uit de streek die “zwart goed” kochten.  Maar Barbara en Jan Baptist zijn fair gebleven tegenover hun vroegere verhuurders want gespreid over de periode van 1799 tot 1825 betalen zij het verschil tussen de geschatte waarde (25 670 livres) en de betaalde som (19 255 livres) aan de monniken.
Jan Baptist overleed op 28 maart 1845.  Op een bijgebouw achter het molenhuis prijkt nog zijn naam als een aandenken aan deze grote molenaar.  Zijn zoon Eugeen was pas 20 en moest het bedrijf overnemen. Hij werd op zijn beurt opgevolgd door zijn zoon Louis die op 13 december 1911 overleed en zijn zoon Dominique in 1918.  Zijn weduwe zag zich verplicht de molen te verhuren voor een termijn van 9 jaar aan Blaret.

In 1921 kwam Albert Van de Putte op de molen, de laatste uit de oude molenaarsgeslacht  Hij bleef malen tot in 1935 en verhuurde dan de molen aan het gezin V. Moyson-E. Lanckman die tot 1945 het bedrijf uitbaatten.  M. De Bolle was de laatste molenaar en na zijn overlijden in 1962 bleef de molen enige tijd onbewoond tot P. Van Ransbeeck  hem in 1963 kocht en er na grondige verbouwingswerken een restaurant van maakte.  Gelukkig bleef de moleninstallatie bewaard en ook het uitzicht bleef intact.  De rest van het verhaal is recente geschiedenis  en dus goed gekend.

In 1566 is de molen in slechte staat.  De meier en de schepenen van het Land van Asse constateren dat de molen niet meer kan malen daar de ligger is in 10 stukken gebroken, het buitenrad hangt qualycken ende ongereckt en het heeft amper nog 3 of 4 goede schepborden.   De kleine sluis is eveneens onbruikbaar.

In 1587 wordt de waarde van den molen van Belle met den stampmolen daer nevens met de huysinge ende edifiën syn alsdan gepresen  sonder de steenen ende drijvende wercken op fl. 3620.  Zes jaar later in de beldt stormerije wordt hij teenemael geruineert en door Carel Bael uit Denderleeuw volledig hersteld. 

De volgende herstelling volgt een eeuw later.  Op 9 februari 1686 was hij ingestort en de wederopbouw volgde pas in augustus 1688.  In die tijd waren de Van de Puttes waarschijnlijk al op de molen. Beda Regaus vermeldt immers dat op 9 februari den molenbauw (is) ingevallen

De Bellemolen was eigenlijk een dubbele molen.  Naast de graanmolen was er ook een oliestamperij.  In 1682 werd zelfs een derde rad aangebracht, het hoesmoleken, dit is een scheprad waarbij de slagplankjes vervangen zijn door hoesbakjes die het water opvangen.  Met dit soort rad was er minder water nodig om de molen te laten draaien. Op 27 april 1900 deed Louis aan het gemeentebestuur een aanvraag om het rad van de molen te vervangen door een turbine. De stampmolen en  de hoesemolen waren in onbruik geraakt.


Kerk van Essene

      Sluiten   X   

In de 10e eeuw werd door de Heren van Asse een Borcht gebouwd ter bescherming van het hinterland en zeer waarschijnlijk in functie van de Denderovergang. Hieraan was toen ook een borchtkerk verbonden. Wie de kerkheer van Essene toen was, is nog niet achterhaald.

Het feit dat de Kerk is toegewijd aan O.-L.-Vrouw-Bezoeking wijst op een zeer oude stichting. De tweede patroon is St.-Jan de Doper, patroon van de borstelmakers en messenslijpers. In 1105 al kwam de oorspronkelijke kerk in het bezit van de abdij Affligem. Zij is gebouwd op een heuvel en op een kruispunt van oeroude verbindingswegen. De zandstenen kerktoren dateert van 1664 zoals de sluitsteen boven de toegang aanduidt. De witte zandsteen waarmee deze toren is gebouwd komt uit de plaatselijke steengroeven van o.a. de Eksterenberg.

In 1835 werd deze oude éénbeukige kerk afgebroken en een nieuwe gebouwd met drie beuken. Het hoogkoor dateert van 1851. Het interieur en meubilair zijn classicistisch. Vermeldenswaard zijn het hoofdaltaar in wit marmer. In het midden van het altaar bevindt zich een zeer zeldzaam palmhouten kruis met Christusbeeld, gesneden uit wortel van buxus. Links en rechts van het hoofdaltaar bevinden zich twee vaandels. Deze van O.-L-Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, symbool van de broederschap ‘Mariekes’ en deze van de gedurige aanbidding: parochianen die van deze broederschap lid waren, kwamen om de beurt één uur bidden. Boven het hoofdaltaar hangt een schilderij van Theodoor van Thulden, leerling van Rubens, dat de ‘Kruisafneming’ voorstelt. De preekstoel stelt Elias voor in de woestijn. Een raaf brengt hem brood. De preekstoel is versierd met engeltjes en eekhoorntjes.

De prachtige communiebank dateert uit 1854 en bestaat uit vier panelen: het Lam Gods, omgeven door palmen, druiventrossen en tarwearen; de Tafel met toonbroden; de Ark des Verbond en de Pelikaan die zijn jongen voedt met zijn eigen bloed. In de sacristie bevinden zich relieken van St.- Antonius en van St.- Rochus.

De lambrisering van het hoogkoor is versierd met prachtige gesneden houten koppen die verschillende heiligen voorstellen. Aan het zijaltaar rechts bevindt zich het beeld van St.- Rochus, patroon van de hopboeren die het beeld jaarlijks versierden met de eerste hoprank. Het is een traditionele voorstelling van St.- Rochus, de pestheilige, gekleed als een pelgrim.

De bekoring van St.-Antonius, de heilige zit voor zijn hut te bidden, voor hem een varken, een kruis en een doodshoofd. Achteraan luidt een rode duivel met vlerken een klok. Ook de devotie tot St.-Antonius is levendig in Essene en kent ieder jaar zijn hoogtepunt de 3e zondag van januari met de St.-Antoniusviering.
Het oksaal met het ‘Van Petegem’-orgel  dateert uit 1855 en is beschermd. In toren bevinden zich drie Klokken (mi-fa-sol) Maria, Jozef en Alfonsus.

Pastorie van Essene

      Sluiten   X   

Op iets meer dan 40 meter boven de zeespiegel, in de onmiddellijke buurt van de kerk, achter hoge muren ligt één van de mooiste gebouwen van de gemeente. De pastorie was eertijds een lemen huis bedekt met stro en de verblijfplaats van de pastoor.
In 1105 werden zowel de kerk van Hekelgem als Essene door Otto II, bisschop van Kamerijk, aan de abdij van Affligem als patronaatskerk geschonken en tot 1274 vormden ze één parochie met één pastoor. Gedurende die periode resideerde hij in de pastorie van Essene.
We vinden nog terug dat in 1568 het oude woonhuis met stallen in brand gestoken werd. Die muitende bende uit Aalst pakte ook het meubilair van de kerk aan. Meer dan vijftig jaar heeft het perceel met een oppervlakte van 50 roeden braak gelegen. Honderd jaar later (in 1753) stond er een nieuw “pastorael huys” op een terrein van 70 roeden. Hoe de “curehofstede” opnieuw in verval geraakte is op geen enkele manier overgeleverd.

In 1758 legde proost Fulgentius Biebuyck de eerste steen van dit prachtige gebouw. De voorgevel heeft een deuromlijsting in arduin (spiegelboogomlijsting) in Louis XV-stijl en een glazen waaier boven de voordeur. Dit dubbelhuis telt twee verdiepingen, heeft hoge steekboogvensters met negblokken en lekdrempels en een zadeldak (leien) met drie houten dakkapellen. Het is een baksteenbouw met gecementeerde plint. In 1860, na meer dan honderd jaar, werd het huis grondig gerestaureerd met o.a. veertien nieuwe ramen met marmertabletten, de kamers werden behangen en geschilderd, een marmeren schouw werd geplaatst, een nieuwe poort, washuis, regenbak en pomp gemaakt. In 1872 krijgt het kerkbestuur de toelating om deze hof af te sluiten met een muur langs de kant van de straat naar Asse.

In 1971 krijgt, onder impuls van burgemeester L. Verdoodt en met de goedkeuring van E.H. pastoor Van De Voorde en de kerkfabriek de pastorie een nieuwe bestemming als gemeentehuis. De pastoor nam zijn intrek in het oude gemeentehuis. In 1975 werden zowel de pastorie als de pastorietuin tot monument beschermd. Met de fusie in 1977 tussen Hekelgem, Essene en Teralfene kwam er een gemeenschappelijk gemeentehuis en verloor dit historisch pand zijn bestemming en raakte in verval.

In 1995 stond in de kranten: “Pastorie te koop”. Dit lokte, terecht, heel wat protest uit. Zelfs op ministerieel vlak ging men er zich mee bemoeien. De gemeente liet het gebouw uit handen gaan omdat ze struikelde over de prijs van de geschatte renovatiewerken (ruim acht miljoen). De kanunnik van het aartsbisdom Mechelen zette het licht op groen voor de koper. Zo komt het dat de pastorie nu in handen is van de familie Galle-Michiels die samen met  architectenbureau Robbrecht en Daem uit Gent er een geslaagde restauratie van maakte, met veel respect voor het oorspronkelijke pand maar ook met een van goede smaak getuigende moderne aanbouw.

TUINPAVILJOEN: ontwerp door het architectenduo Robbrecht en Daem uit Gent (1999-2000):
De aanbouw is eigenlijk een houten structuur over twee verdiepingen waarvan de buitenkant bekleed is met lood. Het volume is zorgvuldig in verhouding gebracht met de pastorie en de indrukwekkende tuinmuur. De keuken en living nemen de benedenverdieping in terwijl  op de eerste verdieping de grote open ruimte kan dienen voor verschillende activiteiten (extra logeerkamer, rustkamer, fitnes). Van op die hoogte is er een prachtig uitzicht op de omringende tuinen en de kerktoren. Er werd veel aandacht besteed aan de juiste lichtinval.
Het materiaal, de omvang en de structuur van deze aanbouw staan in fel contrast met het statige metselwerk van de pastorie. De nieuwe aanbouw lijkt op zichzelf te bestaan met een sterke vorm van autonomie ten opzichte van de rest van de architectonische eenheid. Het ritmisch herhalen en de diepte van de houten structuur schermen de binnenkant af terwijl ze tegelijkertijd de confrontatie met deze idyllische, onwerkelijke plaats verzachten

Het gaat hier dus om een volledig houten structuur die bestaat uit gelamineerd grenen kolommen en balken die langs de binnenkant zichtbaar zijn maar bekleed met een andere houtsoort, nl. eikenhout.

Langs de buitenkant is het hout bekleed met loden strippen. Tussen het hout en het lood zit vilt om de drukverdeling te regelen (uitzetten bij warmte, inkrimping bij koude). Het lood is geolied omdat het anders wit zou uitslaan. Er is geen speciaal onderhoud nodig.

De strippen zijn maximum 1m lang (omdat langere loden strippen zouden uitzakken) die met lipjes in elkaar pakken. Men werkt hiervoor van beneden naar boven toe.

De uitvoering van dit erg gespecialiseerd en precisie werk gebeurde door een Limburgse firma. Er zijn maar twee gespecialiseerde firma's in gans België die deze klus zouden kunnen klaren.

DE TUIN: ontwerp door landschapsarchitect Eric Dhont (1998-2000).

Eric Dhont is een van de meest vernieuwende landschapsarchitecten van ons land. Zijn werk kan met recht worden omschreven als hedendaagse tuinkunst. De elementen van zijn stijl worden uiteraard grotendeels bepaald door de natuur en de tuinbouw. Maar de grafische uitvoering en dromerige sfeer ervan zijn in tal van opzichten avant-gardistisch.
In de tuin is de zonnewijzer van 1801 zoek. De muur is geklasseerd en mocht niet afgebroken worden. Er werden wel twee gleuven gekapt om het uitzicht te verruimen. In de oude tuinmuur is een uitsnijding gemaakt (de enige doorgang van de aanbouw naar de tuin) die met een dik blad massief koper bekleed werd en met indrukwekkende  schroeven vastgezet. Een geplaveid voorpleintje grenst aan een gevel van de pastorie en leidt de bezoeker naar de toegangsdeur (vroegere achterdeur). Het werd helemaal herwerkt zodat een trap die je daarachter vermoedt de verbinding kan maken met het verwilderde gedeelte van de tuin. Aan de oostkant wenkt een hoge pergola in geschilderd hout. Zij opent de weg naar het zuiden. Haar verhoudingen leiden de blik opwaarts wat haast vanzelfsprekend aanleiding geeft tot een dialoog met het hoge bouwwerk (ruimtelijke hiërarchie).
Een andere geslaagde realisatie van deze landschapsarchitect is het ontwerp  Tuin Kasteel van Gaasbeek (een labyrint van de geest).

Ankerhof

      Sluiten   X   

Het Ankerhof werd waarschijnlijk gebouwd in vervanging van het vervallen of vernielde Hof Ter Borcht. Deze laatste was één van de grote hoeven van de abdij Affligem, aangekocht in 1307. Het zou aanvankelijk een eigendom geweest zijn van de heren van Asse en vanaf begin 16de eeuw bewoond zijn door de familie Wambacq.

Boven de poort van de hoeve is in steen een anker met brouwersmotieven de roerkuip, roerstok, gerst en hop afgebeeld en naar dit gevelteken is het gebouw genoemd. Het arduinen poortgebouw dateert van de 19de eeuw en is voldoende hoog en breed zodat men er met grote wagens doorheen kon rijden. Rechts bevonden zich de koe- en varkensstallen. Links een bewaarplaats, nu garage. Voorbij de poort komt men uit op een geplaveide binnenkoer met in het midden het nieuwe woonhuis uit 1850 met boven op het dak een torentje met klokje. Links het oude woonhuis, dat na verwoesting door het Franse leger, heropgebouwd werd in 1702. In 1695, tijdens de Negenjarige Oorlog werd het hof te gronde vernield door de troepen van Villeroy en heropgebouwd in 1702 (ingelijste gevelsteen met anno 1702). Onder het Franse bewind werd het hof opnieuw geplunderd.

Een sage verhaalt ons dat eertijds de abt van Affligem wegens de troebele tijden 10 gouden kandelaars van mensenhoogte op het hof van zijn rentmeester Wambacq verborg. Alleen hij en de rentmeester kenden het geheim. Maar toen veiliger tijden aanbraken, waren de abt en de rentmeester dood en hun geheim hadden ze in hun graf meegenomen …

Sinds de 17e eeuw is het Ankerhof bewoond door de familie Wambacq. Het is een voornaam geslacht dat waarschijnlijk afkomstig is uit het Groot-Hertogdom Luxemburg, van de plaats genaamd, Weisz-Wampach. Daar leefde in de Middeleeuwen een ridderlijk geslacht van die naam. In het begin waren het pachters op de grote hoeven welke de abdij Affligem bezat te Essene en te Teralfene. Later vinden we er griffiers, meiers, rechtsgeleerden en voorname geestelijken. In Essene waren ze altijd betrokken bij het bestuur van de dorpsgemeenschap.

Waarschijnlijk was Michiel Wambacq, gedoopt te Essene op 17/10/1617 de eerste bewoner van het Ankerhof. Hij was meier van de Schepenbank van Affligem en was gehuwd met Joanna de Bast. Zij werd boven de doopvont gehouden door haar grootoom, Jan Melderus, bisschop van Antwerpen en die bracht gewoonlijk zijn verlof door bij zijn petekind op het Ankerhof. Als eerste burgemeester van Essene vinden we J.B. Wambacq van 1836 tot 1848. Zijn zoon, J.B. Deodaat  was de volgende bewoner van het Ankerhof en was burgemeester van 1857 tot aan zijn dood in 1889. Hij zorgde voor goed drinkwater en betere verkeerswegen. Hij was lid van de Provinciale Raad van Brabant en benoemd tot Ridder in de Leopoldsorde. Ook Jules, zijn zoon werd burgemeester in 1908.Ter gelegenheid van zijn 25-jarig ambtstermijn was Essene nog in feest, hij overleed echter nog in 1933. Zijn zoon, Philippe, bleef op de hoeve en hield zich bezig met de boerderij en de veekweek. Hij was enkele jaren gemeenteraadslid. Bij het overlijden van zijn moeder, Joanna Reussens in 1983 moesten de goederen verkaveld worden. Philippe had het hof verlaten.

De dochters van wijlen J.B. Wambacq (†1977) met hun echtgenoten zijn de huidige bewoners (sinds 1984) van het Ankerhof en zij zorgden er voor dat het oude erfgoed bewaard bleef.

In de jaren ‘80 van vorige eeuw begonnen de dochters van wijlen J.B. Wambacq met hun moeder aan de restauratie van het Ankerhof, dat in verval geraakte. Een laatste renovatie gebeurde in 2003 met het plaatsen van een nieuw dak van de vervallen schuur langs de kant van de Fooststraat en de Eksterenberg. De familie Pierre Tack-Geneviève Wambacq staat zelf in voor de ingrepen. De hoeve is geen beschermd monument, maar staat wel op de lijst van waardevolle gebouwen. Sinds enkele jaren komt de provincie tussen voor de instandhouding en de renovatie. Ook Monumentenwacht wil mee een dossier opstellen voor de verdere restauratie.

Bier is sinds vele eeuwen een belangrijke volksdrank en heeft het ontstaan van vele brouwerijen in de hand gewerkt. Vroeger bezat bijna ieder groot pachthof een eigen brouwerij. De pachter had vele meiden en knechten en er was elke dag veel drank nodig en het was dus voordelig zelf te brouwen. In de 16de eeuw was het aantal brouwerijen zeer beperkt. Essene had alleen het Ankerhof en vanaf 1623 die van de familie Bastaerts. Men brouwde ook voor de pachters uit de omgeving; deze leverden zelf de grondstoffen. Zo brouwde men in het Ankerhof witbier, gebrouwen met tarwe; kleinbier, bier dat achterbleef na het aftrekken; uitzet wat aan herbergiers en particulieren geleverd werd en faro, voor de eerstemaalgebrouwen in 1848. De brouwerij was de voornaamste uit de streek.
Na de eerste wereldoorlog werd zelfs een nieuw bier gelanceerd, nl. Anker-ale. Door deze uitbreiding was de oude brouwerij te klein geworden en in 1933 richtte Jules Wambacq een nieuw gebouw op aan de overkant. De linkervleugel van het pakhuis werd afgebroken en vervangen door een groot nieuw gebouw met uitgestrekte brouwerijzaal. In de rechterhoek bouwde men een uitkijktoren van 33m hoog. Van hierboven had men een prachtig zicht over de ganse omgeving. De brouwerijtoren werd gebouwd met de bedoeling er één van de eerste bottelarijen van het land in onder te brengen. De bottelarij werkte nooit omdat initiatiefnemer en toenmalig burgemeester Jules Wambacq overleed toen het gebouw bijna klaar was.

In de 20ste eeuw vermindert het aantal brouwerijen voortdurend door o.a. de vorming van brouwerijcentrales. Door samenwerken konden de brouwers van een regio een lage prijs handhaven zonder aan de kwaliteit van het bier te raken. De kleinere brouwers werden niet in de centrales opgenomen. De NV. Br Ankerhof stopt in 1957 met de productie van Anker, Gueuze Ankerhof, Kriek Ankerhof, Luxanker en Speciale Anker-ale. De zalen zijn een tijd verhuurd geweest aan de brouwerij “Zeeberg” in Aalst. In 1977 werd een nieuwe hal gebouwd. In de jaren ’80 en ’90 fungeerden de zalen als drankencentrale van Haelterman. De jongste jaren staat hij leeg.

In Essene waren in 1810 twee stokerijen: het Ankerhof en Bastaerts. Er werd vooral jenever geproduceerd en  men leverde niet alleen aan herbergiers en particulieren maar ook aan groothandelaars. Naast jenever werden er met de tijd ook andere likeuren gemaakt. Dit waren gewoonlijk laaggradige dranken zoals anijs. Tijdens de eerste wereldoorlog werden de koperen stoomketels opgeëist en kregen de stokers verbod om nog jenever te leveren in openbare aangelegenheden en er kwam een aanzienlijke belastingsverhoging. Het was het einde van vele stokerijen.

Blakmeershoeve

      Sluiten   X   

De huidige Blakmeershoeve dateert uit de 18de en 19de eeuw. Het is een indrukwekkend complex aan 3 zijden van een geplaveide binnenkoer ingeplant.

 

De oude Blakmeershoeve stond zo’n 250 m meer zuidwaarts in een “broekagie”, een moerassig gebied wat sommigen doet veronderstellen dat de naam Blakmeers , vroeger Blackheyse, daarvan is afgeleid. Deze hoeve, eveneens eigendom van de abdij, ging in  1689 in de vlammen op.

 

Tot 'de openbare verkoop' door de Franse overheid (werd aangeslagen)was ze met haar 60 ha het belangrijkste landbouwbedrijf in Hekelgem.

 

Nu is de semi-gesloten hoeve omgebouwd tot een riant woonhuis, met 24 are bestrijkende bebouwde vertrekken. Voor de restauratie van het schuurdak waren 24 000 dakpannen nodig.


Pastorie Hekelgem

      Sluiten   X   

Al in de 14de eeuw was de pastorie een aanzienlijk gebouw, één van de voornaamste van West-Brabant. Ze werd waarschijnlijk door toedoen van de abdij zo uitgebouwd om er de nodige 'luister' aan te geven.

 

Rond 1440 beschikte de pastoor over een ' priesteragie met huis, stalling, duyfhuys, backhuys ende landt of bogaert', groot 3 dw 33 r of bijna 1 bunder'.  

In het begin van de 17de eeuw is er nog sprake van 'een buitengewoon mooie pastorie omwald door water' maar op het einde van die eeuw was het gebouw, waarvan de muren nog uit klei waren opgetrokken, ' soo caducq ende vervallen  … dat het qualijk can blijven staen.'

 

Pastoor Van de Nest liet toen op eigen kosten een grote woning bouwen met muren van kareelsteen en een leien dak. Er volgden nog meerdere verbouwingen. Het pastoriedomein maakt in feite deel uit van het Fosselbos. de oude bomen rond de vijver getuigen hiervan. De 'Fosselstraat' leunt achter aan het domein en de naam zou afkomstig zijn van 'vossenhol' of 'fossel'.


Het is nu nog een prachtdomein en het park is een uitgelezen plek om van de natuur en de stilte te genieten.
De twee oorspronkelijke vijvers in de tuin werden herleid tot één grote vijver waar de sportvissers hun hartje en visje kunnen ophalen.

Hof ter Saele

      Sluiten   X   

Van het Hof ter Saele is alleen het woonhuis bewaard gebleven, een gebouw opgetrokken uit baksteen op een afgeschuinde plint van zandsteen.
De boerderij maakte vroeger deel uit van het borchtcomplex dat in het begin van de 12de eeuw door een schenking in handen kwam van de abdij.

Tijdens de godsdienstoorlogen op het einde van de 16de eeuw werd het kasteel verwoest. De boerderij werd met afbraakmateriaal weer opgebouwd in 1643, een datum die boven de voordeur is gebeiteld.
Franse soldaten staken de gebouwen in 1689 in brand waarna de heropbouw volgde.

Na de verkoop van 1802 kwam de hoeve in privéhanden.
In de loop van de 19de eeuw verdwenen al de gebouwen op het woonhuis na.
De grote zaal waar waarschijnlijk van 1580 tot 1609 de schepenbank van de abdij vergaderde (vandaar de naam ter Saele), was nu een koeienstal.

Sinds 1965 is het weer een woonhuis. Een mooie bomendreef leidt naar de rondboogdeur.

Kerk van Hekelgem

      Sluiten   X   

De St.-Michielskerk is waarschijnlijk ontstaan in de 10de eeuw als villakerk van de heren van Hekelgem. Gelegen aan een strategische plaats voor de Denderovergang diende zij mogelijk ook als vesting.


De stoere romaanse toren, eeuwenlang “het belfort” genoemd, bood bescherming aan mensen in nood. 
Van 1105 tot 1796 bezat de abdij het patronaatsrecht: zij stond in voor het gebouw en kon de pastoor aanstellen.

Het huidig gebouw is opgetrokken met zandsteen uit de plaatselijke groeven .
De middenbeuk van 4 traveeën heeft vroeg-gotische kenmerken en dateert uit de 13de eeuw. De kruisbeuk is laat-gotisch, de zijbeuken en het koor neogotisch.

De huidige vorm is het resultaat van veel verbouwingen, de laatste van 1977 – ’78 wanneer een nieuw horloge werd aangebracht met de tekst: ”Siet hier de verganckelykheit van den tyd”.

Tot de voornaamste bezienswaardigheden behoren de preekstoel (1788) en 2 eiken biechtstoelen, één met de beeltenis van Maria (1721) en de andere met de beeltenis van Petrus (1752). 

Het gepolychromeerd beeld van St.-Cornelius wordt op pinkstermaaandag  uitgesteld voor de bedevaarders die zijn hulp inroepen tegen de stuipen bij kinderen.

 

Achter de kerk ligt de pastorie. (zie pastorie Hekelgem).


Abdij Affligem

      Sluiten   X   

Geschiedenis

De abdij ontstond toen zes ridders door de prediking van de monnik Wedericus van de Sint-Pietersabdij te Gent tot inkeer kwamen. Met de toelating van de H. Anno, aartsbisschop van Keulen, vestigden zij zich wellicht in 1062, op grond van de Duitse paltsgraaf Herman II te Affligem.

In 1085 aanvaardden zij de regel van de H. Benedictus. Bij de wijding van de eerste kerk in 1086 schonk graaf Hendrik III van Leuven ongeveer 200 ha grond te Affligem. Al snel groeide het domein uit tot een van de belangrijkste der Nederlanden. Bij de opheffing onder het Frans bewind in 1796 bedroeg het meer dan 8.000 ha, maar ging dan volledig te niet.

Affligem stichtte of incorporeerde een hele reeks kloosters: de afhankelijke priorijen van Neerwaver (1092-1093),  Frasnes-IezGosselies (1099) en Bornem (1120) en de abdijen van Sint-Andries (1100, Brugge), Vorst (1105, Brussel), Maria Laach (ca.1112 in het Rijnland), Vlierbeek (1125 bij Leuven) en Groot-Bijgaarden (1133 bij Brussel)) die zelfstandig werden. Affligem werd de Primaria Brabantiae, de voornaamste abdij van het hertogdom Brabant. Vijf leden van het hertogelijke geslacht kregen er hun laatste rustplaats.

De abdij bewaarde in vredestijd de banier van het hertogdom en in de l5 eeuw verkregen de abten het primaat in de Staten van Brabant. Geestelijken, edellieden en burgers werden weldoeners van de abdij. Affligem was een Cluny in het klein geworden.

De abdij kende echter ook tegenslagen. In de 14de eeuw werd ze tweemaal verwoest in de oorlogen tussen Brabant en Vlaanderen. De kloostertucht verslapte gedurende de ballingschap van de monniken in hun refugie te Brussel. Het Westers Schisma bracht tweedracht in de communiteit, de abt bleef trouw aan Rome terwijl de prior, de keldermeester en enkele monniken voor de paus van Avignon kozen.

In 1523 sloot de abdij aan bij de benedictijnencongregatie van Bursfeld. Vanaf 1569 tot 1801 was zij als dotatie geïncorporeerd bij het nieuwe aartsbisdom Mechelen, zodat de aartsbisschoppen het bestuur van de abdij in handen kregen. In 1580 volgde een nieuwe verwoesting, ditmaal door de aanhangers van Willem van Oranje en 27 jaar lang zwierven de monniken rond in ballingschap.

In de 17de eeuw kende de abdij een grote bloei onder proost Benedictus van Haeften (+ 1648), die een beroep deed op Rubens en De Crayer om kerk en klooster te versieren. De invallen van Lodewijk XIV veroorzaakten veel schade maar in de tweede helft van de 18 eeuw volgde een nieuwe bloei onder proost Beda Regaus (t 1808), de belangrijkste Affligemse geschiedschrijver. Men begon met de bouw van een nieuwe abdij in classicistische stijl, die echter met de Franse Revolutie volledig ten onder ging.

Toen de 33 monniken op 11 november 1796 hun abdij moesten verlaten, ging het oude domein met nog een veertigtal hoeven volledig verloren. Er kwam tevens een einde aan de armenzorg die op ruime schaal werd beoefend. In de strenge winter van1740 kwamen er op een dag 6.000 behoeftigen aan de poort aankloppen. Met het concordaat met Napoleon in 1801 kwam er tevens een einde aan het patronaatsrecht over 45 afhankelijke kerken en het begevingsrecht van nagenoeg 130 beneficies.

Na hun uitdrijving, gingen de meeste monniken in parochiedienst en pas in 1837 kon het kloosterleven te Dendermonde en in 1870 te Affligem hersteld worden. Als enige benedictijnenabdij in de Nederlanden overleefde Affligem de Franse Revolutie. In 1858 trad de abdij toe tot de Cassinese Congregatie. Affligem kende snel een nieuwe bloei met de stichting van de abdij Merkelbeek (1892, Nederlands-Limburg, in 1923 naar Vaals overgebracht).

In 1910 richtte men een missie op in Noord-Transvaal. In de 20ste eeuw werd de abdij bekend door haar bijdrage aan de liturgische beweging met de uitgave van het Volksmisboek (1915) en het Tijdschrift voor Liturgie (1919) en in de laatste decennia door het Cultureel Centrum (1967), de jeugdhuizen Sint-Benedictus (1969) en Verbrugghen, het Archeologisch Museum (1981) en het Religieus Centrum (1988). De communiteit telt nu 21 monniken.

Rondgang door de abdij

Het voorplein
De huidige Abdijstraat heette vroeger “De Lindekes” en liep volledig op het abdijdomein dat omringd was met muren en in het dal met een wal. Van de oude abdij zijn er slechts drie gebouwen overgebleven: het Bisschoppenhuis, de Benedictuspoort en het vroegere washuis, nu het Jeugdheem St.-Benedictus. Het huidige voorplein dateert van 1951. Toen werd de Benedictuspoort uitwendig gerestaureerd en verbonden met het Bisschoppenhuis.

Het wapenschild met twee kromstaven in de verbindingsmuur verwijst naar de periode (1569-1801) dat de aartsbisschoppen van Mechelen tevens abt van Affligem waren. De bakstenen westvleugel uit 1881 is het werk van Arthur Verhaegen, een leerling van J. Bethune, grootmeester van de neogotiek in België. A. Verhaegen was ook de architect van de neogotische abdijkerk die in 1972 werd gesloopt. De kerktoren, het werk van architect Th. Vijverman van Denderleeuw, werd in 1954 opgericht om drie klokken in op te hangen die respectievelijk 2073,1159 en 903 kg wegen.  De neogotische abdijkerk waartegen hij aanleunde werd in 1972 afgebroken omdat de onderhoudskosten te hoog opliepen.

 Het Bisschoppenhuis
De naam, die pas in de 19de eeuw  opduikt, herinnert aan de tijd dat de aartsbisschoppen ook abt waren In 1971 werd het gebouw samen met de Benedictuspoort en de kerkruïne tot beschermd monument verklaard. De zandstenen voor- en zijgevel in laat barok (1720) is het werk van de Brusselse architect J.A. Anneessens, zoon van de onthoofde vrijheidsheld.

Na de terugkeer van de monniken in 1870 hadden ze hier gedurende 11 jaar hun kapel. Boven de ingangsdeur de H. Benedictus tussen de wapenschilden van de abdij en van abt Fr. de Wyels die in 1954 de huidige hal door architect Th. Vijverman liet inrichten. Glazenier Dries Van den Broeck van Alsembergvervaardigde de glasramen. In de hal zijn er drie opmerkelijke kunstwerken: de Emmaüsgangers van Valeer Stuyver, gewezen pastoor van Vlassenbroeck, het wapenschild van de abdij in hout door Albert Van Den Bossche van Hekelgem en het kantwerk “De stad Gods” door dom Franco Pynaert.

Neogotische gang
Na de dubbele eikenhouten deur uit de 18de eeuw leidt naar de gang naar de salon en de winterkapel. Het neogotische beeld van de H. Jozef is het werk van G. Javaux, de portretten van de aartshertogen Albrecht en Isabella zijn 19de -eeuwse kopieën van Rubens door dom Jacmin, het portret van abt Jan is van dokter CarI Heeremans (1980) en boven de deur van de winterkapel het portret van dom Maurus Elewaut (+ 1809), laatste abt van de oude abdij van Sint-Andries, gesticht door Affligem.

Gang van A. Kropholler (1934)
Deze Nederlandse architect wou op een eigen wijze de vroeg-gothiek vorm geven. Rechts boven de kleine deur het portret van abt Jan, een zandschilderij van Roger De Boeck van Hekelgem uit 1962. Rechts de hoge ramen van de gewezen “Rekenkamer’ uit 1512, later toegevoegd aan de prelatuur. De eikenhouten baroktrap dateert van 1632.

Het Mariabeeld links is een werk van dom Jan van der Meij, monnik van Oosterhout. Daar het beeld in het halfdonker zou staan, accentueerde de kunstenaar sommige details. Links en rechts monumentale marmeren lavabo’s volgens de middeleeuwse traditie maar nu niet meer in gebruik. Rechts de gang naar de kerk en de sacristie met een schilderij uit de 18de  eeuw met de uitbeelding van de legende van O.-L.-Vrouw en de H. Bernardus, in Affligem gelegen in 1146.

Kerk en sacristie (1972)
De architect van deze vierde abdijkerk is André Van den Broecke van Merelbeke. Aan de wand een barok Christusbeeld. Het tabernakel is van Achiel Pauwels van Mariakerke die ook de fries in de voorgevel van het Cultureel Centrum vervaardigde. Links een 16de –eeuws houten Mariabeeld, gepolychromeerd en met een zilveren kroontje.

Onder het altaar een houten reliekschrijn met het gebeente van de H.Wivina.  Zij wordt beschouwd als de eerste priorin van de benedictinessenabdij van Groot-Bijgaarden. De H.Wivina overleed in 1170 en al in 1177 volgde de plechtige verheffing van haar gebeente door abt Arnulfus van Affligem.  Dit schrijn is waarschijnlijk 17de-eeuws en vertoont reminiscenties aan de laatmiddeleeuwse retabels. Het heeft de vorm van een rechthoekige koffer met tussen de boven- en onderlijst 10 vlak gehouden heiligenbeelden onder rondbogen. Onderaan staat in gotisch schrift: Reliquiae Sanctae Wivinae. Het schrijn kwam na de opheffing van de abdij in de Zavelkerk terecht en in 1954 in Maria Mediatrix in Hekelgem, de eveneens door Affligem gestichte abdij. In februari, wanneer de 7 zusters hun abdij verlieten, schonken ze het schrijn aan Affligem.

G. Potvlieghe van Meerbeek-Ninove vervaardigde het Bach-orgel (1981) dat versierd is met de wapenschilden van de abdij en van abt Jan. Achteraan links in de biechtkapel: een beeld van O.-L.-Vrouw van Affligem. Het origineel werd circa 1606 te Mechelen vervaardigd uit een brokstuk van een groter middeleeuws beeld in avesnesteen dat in 1580 werd vernield. Tijdens de jaarlijkse bidtocht op 15 augustus wordt dat beeld meegedragen. Rechts een neogotisch beeld van de H. Benedictus van Leo Speiser (+ 1958). Een dergelijk beeld bevindt zich in de kapel van de H. Benedictus in de basiliek van Koekelberg.

De huidige verering te Affligem gaat terug op dom Paulus Luyckx, die hier in 1869-1870 het herstel van het kloosterleven voorbereidde. In de biechtkapel rechts staat een mooi beeld van de H. Benedictus in Slavonische eik (1927) van Jef De Somer van Erpe. Het werd in 2000 uit de kerk gestolen, maar werd gelukkig op 28 oktober 2001 teruggevonden.

Refter
Het fresco in het timpaan van de deur beeldt de voetwassing van een arme uit door paus Gregorius de Grote, biograaf van de H. Benedictus. Het is ook een werk van J. van der Meij (1936), maar pas in 1961 voltooid door de Boliviaanse kunstenaar Manuel lturri die aan de ogen een zuiderse tint gaf. Rechts de raadselachtige inscriptie “Behakt zooals nader wordt opgegeven”, te wijten aan een misverstand bij een Waalse steenhouwer die geen Nederlands kende.

De refter in art-deco-stijl dateert van 1927 en is gebouwd naar de plannen van de Franse benedictijn dom Paul Bellot en van zijn medewerker Eugène Stassin van Namen. De leesstoel met nis doet denken aan de plaats van de liman in een moskee. De refter is het enig uitgevoerde gedeelte van een volledig abdijplan door P. Bellot (1923). Het kruisbeeld is ook een werk van J. De Somer. Aan de muur 18 portretten van prelaten, op twee na geschilderd door dom Wilfried Jacmin (+ 1911), monnik van Affligem. De meeste zijn kopieën van portretten in het aartsbisschoppelijke paleis te Mechelen. Aan de eretrap het beeld van de H. Benadruk eveneens van J. De Somer.

Bidplaats
Dit lokaal was tot 1970 het calefactorium of de recreatiezaal. Het interieur doet denken aan een ridderzaal van een middeleeuwse burcht. De staande klok is van de 18de eeuw. Het schilderij boven de haard, een werk van G. De Crayer (+ 1910), beeldt de  wedergroet van O.-L.-Vrouw aan de H. Bernardus uit. Naast de deur hangt een schilderij met de opdracht van de HH. Maurus en Placidus, ook door G. De Crayer.  Leonard Blanchaert vervaardigde het faldistorium voor de abtswijding van dom  G. Heigl in 1887.

Boven de tuindeur de raaf van de H. Benedictus door J. van der Meij.

Op het binnenhof een klokkenstoel ontworpen en vervaardigd door Dom Joris Vertonghen met het klokje dat van 1881 tot 1972 in de dakruiter van de neogotische kerk hing. Het werd in 1589 gegoten door Thomas Tordeur van Nijvel en woog 200 kg. Het was een geschenk van de bevolking bij de terugkeer van de monniken.

De hertogelijke graftombe (1973)
 Hier liggen de gebeenten van weldoeners uit de 12de en 13de eeuw die in 1930 werden ontdekt op de plaats van de middeleeuwse kerk en de kruisgang.
Boven de tombe neogotische beelden die in de vorige kerk op de koorafsluiting stonden.

Bibliotheek (1934)
De bibliotheek is het werk van Kropholler die ook de twee grote tafels met de zes stoelen in de leeszaal ontwierp. In het totaal zijn er meer dan 75.000 boeken, de oudste dateren van 1499. Van de honderden kostbare boeken die de abdij bezat zijn er ca 700 in de Koninklijke Bibliotheek (Albertinum) in Brussel, andere werken, waaronder middeleeuwse handschriften, bevinden zich in Wenen, Kopenhagen, Den Haag, Londen en Parijs waar ook het kostbare Evangelarium wordt bewaard.  Die werden in 1796 door de Fransen in beslag genomen.

Op de gravure  dom Benedictus van Haeften (+ 1648), proost van Affligem en de belangrijkste schrijver van de abdij wiens Latijnse werken vertaald werden in de voornaamste West-Europese talen. In de vitrine links liggen afgietsels van zegels, vooral van abten. Rechts afbeelding van de abdij uit 1658, de twee postzegels van de abdij, de wapenschilden van vroegere abten en de toespraak die Jansenius in 1628 in de abdij hield. Hij was eenjeugdvriend van proost B. van Haeften. Daar liggen ook de twee kleinste boekjes van de bibliotheek.

Tuin
Naast het Bisschoppenhuis een notelaar, geplant op het einde van de 19de eeuw. Achteraan de Benedictuspoort: de enige van de zes poorten van de oude abdij die bewaard is. Opgericht in 1720 volgens het plan van J.A. Anneessens, architect van het Bisschoppenhuis. Daar was het “syndicaat”, dit is het kantoor van de syndicus, de monnik die de goederen beheerde.

Van 1885 tot 1940deed het gebouw dienst als brouwerij, nadien tot eind 20ste eeuw als cidermakerij. Rechts van de betonweg stond omheen een vierkantig plein de oude abdij. Links stond in de middeleeuwen het kerkje van O.-L.-Vrouw en de eerste abdijkerk.Het kapelletje herinnert aan de legende van de wedergroet aan de H. Bernardus. Het Mariabeeld stond echter meer achteruit in de kruisgang.

Van de grote Romaanse kerk, die abt Franco 1 in 1129 begon te bouwen, rest na drie branden (1334, 1356 en 1580) en de sloping met de Franse Revolutie, slechts de muur van de zuidelijke zijbeuk. Eens waren er vijf torens. Opgetrokken in zandsteen uit de groeven van de abdij. Gotische vensters van een latere restauratie. Het grote kruis (1892) staat op de plaats van het hoogaltaar waarvoor Rubens “De beklimming van de Calvarieberg” schilderde, nu in het museum in Brussel. Rechts van de weg duiden twee rechthoeken uit zware stenen de plaatsen aan waar in 1930 de gebeenten van Godfried met de Baard en zijn zoon Hendrik voor het hoogaltaar en zijn dochter Aleidis in het linkertransept.

De kerk bezat een beiaard met 48 klokken en een mooi koorgestoelte. In de kerk werd ook de Vlaamse geschiedschrijver Sanderus begraven.Het kruidentuintje werd aangelegd door dom Joris Vertonghen. De grot dateert van ca.1920 en was bedoeld als Benedictusgrot. In het 1987 plaatste men er de neogotische piëta die oorspronkelijk in een verdwenen kapel, aan het begin van de Abdijstraat stond. Waar al de stenen liggen, stond de vroegere sacristie. Op de weide erachter was er in de 1 7 eeuw een doolhof. Daar werd ook een gedeelte van de classicistische abdij door L.B. Dewez gebouwd in de jaren 1770-1777. Rechts van de betonweg was tot 1796 het kerkhof.

De hoeve
Tot 1963 was de hoeve in exploitatie. Drie vleugels waaronder de wasserij uit de l7 eeuw zijn nu het Jeugdcentrum St.-Benedictus. Sinds 1967 is in de vierde vleugel in de vroegere melkerij het Cultureel Centrum ingericht. Het telt drie tentoonstellingszalen, een vergaderruimte en een winkel met abdijproducten. In 1981 werd het Archeologisch Museum geopend in de vroegere maalderij.

 

 

 

 

Schepen toerisme: leo.deryck@affligem.be    ©       webmaster: mark.touchant@hotmail.com