Coigneauhop

De naam van deze hopvariëteit is afgeleid van de hopboer Franciscus Coigneau (Aalst, 19 april 1724 – Teralfene, 8 maart 1793) die de soort reeds omstreeks 1785 voor het eerst heeft ontwikkeld op zijn hoplochting te Teralfene.

De variëteit bleek succesvol want was goed bestand tegen ziekten en gaf een grote opbrengst per ha. Bijgevolg steeg het relatieve belang van de Coigneau gedurende de Franse en vooral de Nederlandse (1815-1830) periode en zullen uiteindelijk de meeste andere hopsoorten (behalve Groene Belle en Witte Rank) in de hopstreek Aalst-Asse zelfs tijdelijk verdrongen worden door de Coigneau in de periode 1850-1910.

Reeds in 1833 schreef het Franse tijdschrift 'L' Agronome' dat deze hopsoort het meest gewaardeerd werd ("le plus estimé") en het meest gevraagd door de consument ("le plus recherché du consommateur"). In 1851 omschreef de krant 'Messager de Gand' dat deze hopvariëteit terecht werd geroemd te Teralfene ("Le village de Theralphene la vante à juste titre") aangezien ze het meest productief was en de mooiste hopbel vertoonde ("le plus beau cône") .

En in 1866 schreef de krant 'Le bien Public' dat de Teralfense hop, die al sinds 1826 jaarlijks Aalsterse prijzen opleverde, een universele reputatie had verworven ("Aussi la réputation du houblon de Teralphene est-elle universelle. A Londres et même à New-York, le houblon de cette commune est fort apprécié").

Na 1910 won de echter bitterder doch fijnere Groene Belle terrein,[2] tot die op haar beurt verdrongen werd door Duitse aromatische hopvariëteiten die vereist waren voor de lage gistingsbieren.