Duivelsputten

 

 

 

 

Met de zandontginning, wellicht opgestart door de abdij Affligem, kende onze streek een totale ommekeer. Niet alleen het uitzicht wijzigde, er ontstonden heuvels en diepe groeven, vooral de samenstelling van de bevolking veranderde. Steenkappers, beeldhouwers, werklieden voor het graven en het vervoer stroomden toe. In de heuvels tussen Dender en Dijle en langs de oevers van de Zenne werden miljoenen jaren geleden kalkzandstenen gevormd.

Pas in de late Middeleeuwen kwamen de mensen tot ontginning om stenen woningen, kerken, belforten en stadhuizen te bouwen. Die zandsteen was zeer gegeerd omwille van zijn witheid, hardheid en bewerkbaarheid. Beroemde bouwmeesters als Peter Appelmans, architect van de kathedraal van Antwerpen, bezochten de steenpoelen. Zij zochten de beste steen uit voor specifieke toepassingen in hun gebouwen, bijvoorbeeld als dragend of als sierelement.

Het poelen begon  met het losmaken van de bovenste steenlaag gevolgd door het verkleinen van de steen tot transportbare blokken. Zo werd laag na laag uitgebaat tot er putten ontstonden, de huidige getuigen van de exploitatie.  De steen die niet ter plaatse voor onder meer de abdijgebouwen en  voor de parochiekerken werd gebruikt, werd met paard en kar naar de Dender gevoerd en vandaar ging het per boot verder naar vrijwel alle plaatsen in Vlaanderen, Brabant en het westelijk deel van Nederland.

Wat nu Balegemse steen heet, werd toen “goeden witten Haffelgemschen steen” genoemd. Voor het kappen van de steen werden zelfs steenkappers uit Wallonië en Picardië aangetrokken. Hun toestroom zou aan de basis liggen van heel wat Romaanse toponiemen in Affligem: Mattein, Mazits, Kavee, Montil …

In het midden van de 18de eeuw kwam er een einde aan de ontginningen omdat  de groeven uitgeput waren. De duivelsputten op de Boekhoutberg zijn nog duidelijke getuigen van deze verdwenen bedrijvigheid.